Positie : Baie de Prony, Grande Terre, Nouvelle Calédonie.

“Vent, vent et vent !” grapt de nieuwslezeres tot besluit van haar weerbericht.
Als zelfs niet-zeilers al over de nooit ophoudende wind gaan klagen en de marathonlopers op Grande Terre vandaag erdoor gehinderd worden, dan weet je het wel, zeker.
We blijven ter plaatse.
Elke dag luisteren we de moeilijk te horen (met veel ruis) weerberichten, vragen we gribfiles op. We wikken en wegen. Vertrekken we vanavond of morgenvroeg misschien ?
Elke dag opnieuw worden we van onze sokken geblazen door een wind van 6-7 bf, waardoor je zelfs aan dek niks kan uitrichten. Ook 's nachts gaat de wind tekeer. We hebben de moed niet te vertrekken.
Tijd voor een plan B. In plaats van rechtstreeks naar de ingang van de grote lagune van Nieuw-Caledonië te zeilen, quasi onmogelijk met deze tegenwind, willen we oversteken naar de, beter bezeilde, oostkust van Grande Terre (het hoofdeiland) en dan later naar Passe Havannah  hoppen.

Dag 1.
Na zes dagen “uitrusten”, gaan we ervoor. Het waait nog steeds hard, maar de windrichting is gunstiger lees meer oostelijk en we hopen een comfortabeler koers te kunnen sturen, niet zo hoog aan de wind.
60 mijl moeten we overbruggen tot de Passe Thio en nog verdere 12 mijl tot de eerste veilige ankerplek. Pijnlijk vroeg weg dus, bij het eerste licht, hier al om 4u45. 
Met twee piepkleine zeilen beginnen we eraan. Ik blijf buiten en aan de “lage” kant zittend moet ik enkel snel mijn voeten intrekken als er weer een gulp zeewater overkomt.
De zeilen staan goed, de golven bruisen wild maar zijn niet gekruist, we gaan er als een pijl met een gemiddelde van 7 knopen vandoor. We eten wat boterhammekes, op voorhand al gesneden, want veel kan je op dit bokkend schip niet uitrichten in de keuken. Voor het eerst zitten we dik aangekleed in de kuip, compleet met sokken en crocs, geweldige anti-slip schoenen.

Rond 14 u rijden we op de achterlijke golven de pas Thio binnen. We zeilen nu binnen het buitenrif, de golven nemen maar langzaam af en als we richting zuid-oost, in de wind,  naar het schiereilandje Neuméni sturen, bonken we ons, op motor, vast in de windgolven. 2000 toeren moet hij draaien om meer dan 5 knopen voortgang te maken.
Eindelijk, rond 15u30 ratelt ons anker naar beneden, vlakbij een mooi strandje, hoge bergen, deels afgegraven voor nikkel, in de achtergrond.
Weer een harde tocht tot een goed einde gebracht.
“Smooth seas never made skilled sailors”, zullen we maar denken.
Al wilde ik dat ik dat bordje bij de douane in Port Vila niet gelezen had.

Dag 2.
Voor mijn verjaardag, de volgende dag, moet ik niet onmogelijk vroeg op, ik krijg een prachtig onbewoond eilandje cadeau, Ile de Némou, 5 mijl verderop. We roeien erheen, neuzen wat rond, bewonderen de hoge pijnbomen die dubbel of drie keer zo hoog zijn als de hoogste palmboom (20m), zwemmen in het frisse water.
We breken de Martini aan die we voor een habbekrats, taxfree aankochten in Vanuatu.
Morgen is het weer werken. Tegen de wind en (wind)golven 26 mijl verder naar het zuidoosten, naar Kouakoué.

Dag 3.
Omdat 's ochtends de wind nog niet zo hard waait, vertrekken we weer om half vijf. We volgen de waypoints van de aangekochte digitale “Rocket Guide voor Nieuw-Caledonië”. 
Niet echt nodig hier, want op de gevaarlijke plekken duiden rode en groene boeien de route aan. Ongezien de laatste jaren.
De kust doet me sterk denken aan Canada, het hoge Noorden, Patagonië (niet dat ik daar ooit geweest ben). We varen moederziel alleen in een ware National Geographic omgeving.  Al dagen geen mensen, geen boten. Wel één schildpad, één zwart en witte zeeslang, een school spinner dolfijnen die wel 5-6 m hoog opspringen, intussen om hun as wentelend, spinnend. 
Zonder problemen varen we uren later de baai van Kouakoué binnen.
Weer een plaatje : wit strand, super hoge pijnbomen, bergen en heuvels op de achtergrond.

Dag 4. 
Zelfde scenario als gisteren. We vorderen steeds verder zuidwaarts langs de kust. Makkelijker vandaag want de wind is noord-oost. Het gaat ons voor de wind.
Hoe dichter naar de pas, hoe dichter ook de wolken samenpakken. Het vriendelijke zonnetje verdwijnt. De wind haalt uit en het begint plots te gieten. Een grote Chinese  vissersboot, op weg naar buiten, verdwijnt achter een regengordijn.
Gelukkig is de regen van korte duur en ook de wind doet weer normaal. Er staat weinig stroming in de pas, het tij is nog maar pas gekeerd. Perfect.
We hebben tijd om al de grote betonnen “vuurtorens” te bekijken.
Rond de middag valt het anker in Prony baai. Bonne Anse zo noemen ze deze ankerplek, die beschutting biedt voor zuid-westen wind. Want als kers op de taart, krijgen we nog een niet verwachte windrichting gepresenteerd. Hopelijk voldoet deze baai in de baai en zullen we niet liggen te rocken vannacht.
Morgen de laatste 30 mijl van deze onverwacht lange tocht ?

(verstuurd via Winlink)

Positie : op anker in Baie du Santal, Ile Lifou, Nieuw-Caledonië.

De rust is allesomvattend en doet zó goed.
Rust, ja, nu wel. Dat was de voorbije anderhalve dag wel anders. Deze laatste tocht hoort zonder twijfel in het vakje “zware oversteken”, het echte “jakkeren”.
We hadden onze voorzorgsmaatregelen genomen, verwachtten hommeles.
Nog meer dan voor een gewone oversteek bracht  ik spullen die kunnen vallen, in veiligheid. De kaartentafel, die normaal vol ligt met bureauspulletjes, gsm's, laptop, ruimde ik helemaal leeg. Alles vindt een plaatsje in de achterkajuit. Het wordt immers een aan-de-winds rak van meer dan 200 mijl over stuurboord van Vanuatu naar Nieuw-Caledonië, en we zullen flink op één oor gaan.
Alles gaat als voorzien. De wind blijft toenemen tot 6-7 bf. Het is werken om de zeilen telkens een stuk in te draaien. Jakker gaat er als een trein vandoor. De golven van 2-2,5 m slaan als mokerslagen tegen de romp om dan in een gulp over de ganse boot te sproeien. Alles door en door zout achterlatend.
Als het te erg wordt, het oorverdovend lawaai buiten, de bewegingen, het overkomende zeewater, verschansen we ons binnen, om elk kwartier ons hoofd eens buiten te steken en rondom te speuren naar andere boten.
Tenminste, Tony doet dat zonder moeite. Ik voel me telkens ik opsta duizelig en ziek. Elke keer heb ik daarna 10 min nodig om te herstellen, nog 5 min rusten en het is alweer tijd om boven te gaan kijken. Twee keer komt het weinige dat ik heb gegeten naar buiten.
Het goede nieuws, we vliegen over het water aan 7 soms wel 8 knopen. Van eten of slapen komt echt niet veel.

Op de middag van de tweede dag zeilen we ter hoogte van Lifou eiland. De golven nemen, achter het eiland, langzaam wat af, de wind blijft. Aan de verleiding van de prachtige westelijke baai kunnen we niet weerstaan. We denken allebei hetzelfde, laten we hier gaan ankeren.
Ok, het mag niet, we moeten eerst gaan inklaren in Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië.  Maar als we niet aan land gaan, kan niemand er iets tegen hebben dat twee vermoeide zeilers beschutting zoeken. Toch .
Zo gezegd, zo gedaan.
En zo brengen we hier al twee dagen op anker door. Luisterend naar elk weerbericht dat we kunnen opvangen, gribfiles inhalend met de radio, twijfelend wanneer we verder zullen varen en langs welke route.

Je vraagt je wellicht af waarom we in de eerste plaats met die harde wind vertrokken zijn.
Wel, het zag er midden vorige week goed uit. Je beslist dan te vertrekken. Kijkt alles nog eens na en gaat vrijdag uitklaren (douaneformulieren invullen, havengelden betalen, paspoortstempels halen) want in het weekend kan dat niet. Dat uitklaren in het piepkleine kantoortje van de douane nam veel tijd in beslag maar was gezellig, met de andere zeilers die ook weg willen. Nooit wordt er meer informatie uitgewisseld en gebabbeld dan daar.
Maar één keer uitgeklaard, moet je binnen de 24 u het land verlaten. Laat nu dat gunstige weerbericht plots met veel meer wind komen aandraven. Bovendien zien we geen oostenwind meer, waar we wel op rekenden.
Niks aan te doen, we moeten weg. Tot zondagochtend treuzelen we nog. Boter aan de galg, er verandert niets. Een harde zuid-oosten wind, bijna op kop, blaast ons helemaal tot Ile de Lifou.
Intussen is, na een heerlijke nachtrust, de harde tocht alweer bijna vergeten. Het is hier goed in onze baai, laat ons maar wat van het zonnetje en het prachtig turkooise water genieten.

 

Positie : Port Vila, mooring.

Vóór we Vanuatu verlaten, breng ik best wat orde in onze resterende, losliggende foto's. Daarom een laatste fotomapje over deze prachtige eilanden.

Kijk onder het kopje "Foto's".

 

 

Positie : Mele Bay, op anker.

Naar Mount Yasur.
Eén verhaal heb je nog te goed : onze beleving van vuurspuwende berg Yasur op Tanna eiland. Door de commotie rond mijn bezoek aan België raakte dit bijna verloren in de plooien van de blog.

Vanuatu bezoeken, zonder minstens één vulkaan te zien, dat kan niet. Dan ben je op deze gevaarlijkste eilandengroep ter wereld quasi niet geweest.
Vanuit Fiji stuurden we dan ook, als eerste Vanuatu bestemming, op Tanna eiland aan, maar defecte batterijen beslisten er anders over.
Zo bevinden we ons, na meer dan vier maanden rondzwerven, terug in Port Vila, wachtend op de goeie wind, de perfecte golfhoogte om alsnog zuidelijk naar Tanna te zeilen.
Maar wat dacht je? Die perfecte omstandigheden, we kunnen er wel eeuwig op wachten .

Het vliegtuig richting White Grass airport (Tanna) biedt uitkomst, zo vertellen ons meerdere zeilers, die voor dezelfde oplossing kozen. In 35 min. ben je er vanuit Port Vila. Vooruit dan maar, de makkelijke oplossing.

Meteen dezelfde namiddag brengt Joshua ons met de 4x4 pick-up naar het vertrekpunt voor de korte klim naar Mount Yasur. Twee uur schommelen-hobbelen we over een weg met enorme gaten, een weg op bepaalde plekken diep uitgesleten door erosie, jungle aan beide zijden, uiterst vruchtbare veldjes met grote zoete aardappelen en yam, koffie zelfs, zwarte dorpjes op zwarte asgrond. Eindelijk bereiken we de impressionante asvlakte, een nu droge rivierbedding kronkelt erdoorheen. Gigantische “lavabommen” liggen verspreid over de vlakte. Braakte Yasur zijn gloeiende brokken steen tot hier?
Een hoge duin van as, nu zijn we bijna bij de ingang van het park.
Hier pakken we een bordje “Belgium” en sluiten aan bij de honderden die, zoals wij, ook de makkelijkst toegankelijke, actieve vulkaan ter wereld op willen.
Volgt een kastom ceremonie door de mensen van het dorp aan de voet van de heilige berg. De chief vindt het goed dat we de berg storen.

Eerste blik op Mount Yasur.

Asvlakte en asbergen.

Dansen voor de heilige berg.

Vuur spuwen.
We stappen netjes in de pick-up truck met “ons” nummer erop en komen een kwartiertje later bij de voet van de vulkaan. Flink afgekoeld zijn we al, het regende de hele rit en wij zaten achteraan in de open bak .
Gelukkig hebben we een trui aan, regenjas, klimschoenen. Ik ril als ik sommige meisjes zie in short, topje, teenslippers...wat een idee?
In een lange rij (doet me denken aan de film Everest ) stappen we naar boven. Steeds hoger tot bij punt 7. Punt 8 ligt in de rook en de mist, daar kan je nu niks zien.

Reeds tijdens het klimmen voel je de berg trillen en grommen. Plots een diep gerommel, een ontploffing, vuur en lava-gensters maar we zien vooral stoom, het is nog niet donker genoeg. Om de vijf minuten is er een uitbarsting die pas een half uur later in de pikkedonker een groots vuurwerk oplevert. Je hoort lava bommen neerkomen en rollen, ziet gloeiende, omhoog geworpen brokken langzaam uitdoven.
Yasur is van het Stromboli type , een droge vulkaan die geen lavastromen maar lava en stenen uitbraakt. We proberen foto's en filmpjes te maken. Moeilijk zonder statief.

We zijn niet alleen.

Vuurwerk, om de vijf minuten.

Intussen bevriezen we zowat terwijl ons gezicht warm opgloeit bij elke uitbarsting. Op de richel loeit een ijskoude wind, die iets lager al veel milder is, maar daar zie je dan weer niks.
Als na anderhalf uur het vertreksein klinkt, zijn we zowat onderkoeld.

Toch weer een item van de bucketlist geschrapt, of zeg ik : een onderdeel van het verlanglijstje . Een tick in the box, een dingetje aangevinkt.

Speciaal detail : in de vrachtwagen terug, zit er een Australische jongen naast me die volgende week aan een nieuwe job in Brussel of all places begint !?! De wereld is klein.

Port Resolution.
Op de berg ontmoetten we een zeilers-koppel dat in Port Resolution, dichtbij de vulkaan, voor anker ligt, of moet ik zeggen rolt. De baai, ontdekt door captain Cook (alweer) toen hij van ver op zee de vulkaan zag spuwen, kreeg de naam van zijn schip Resolution. Door de vulkanische activiteit kwam de bodem van deze baai intussen al een paar maal “omhoog “, het laatst nog in deze eeuw. Is nu met 3 m heel ondiep en bijna altijd erg rolly in de heersende zuid-oost passaat.

Nu we horen van de slapeloze nachten, het enerverende bestaan aan boord van hun boot, de douane beambten die hun verblijf nodeloos verlengen omdat ze niet bereikbaar zijn om uit te klaren, weten we : onze beslissing te vliegen was de juiste. 

Lenakel, hoofdstadje van Tanna.
De markten en marktjes die we in Vanuatu bezochten, kunnen we al niet meer tellen. Van heel druk, tot niks te beleven.
Lenakel is erg levendig, we kopen er lekkere mandarijntjes. Iedereen is er weer even “Vanuatu vriendelijk”. We lopen ook naar de “wharf” = kaai. Hier worden kokosnoten, yam, producten van Tanna in schepen voor Vila geladen. Eén wankel kraantje doet het werk. De vriendelijke werkers babbelen er vrolijk op los.
Op deze, de beruchte ergste ankerplek van Vanuatu liggen twee jachten, die blijkbaar niet weg kunnen want de customs zijn uitzonderlijk vandaag maandag, na het weekend, ook nog gesloten. Dikke pech.

Lenakel, beruchte slechte ankerplek.

Inladen van goederen voor Port Vila.

Op Tanna tref je mooie stranden aan, wit of zwart. Bij laag water zoeken mensen eetbaars op het rif. Iedereen is tot een praatje bereid. Vrouwen drogen de was, kinderen houden een heuse fietskoers.
Er zijn kastom dorpen die de oude tradities, dansen, het vuur maken in stand houden en doorgeven aan de volgende generatie.
Maar iets speciaal om te vermelden,  “nooit van gehoord” , is de zogenaamde cargo cult  “John Frum”, een religie die in een aantal dorpen op Tanna beleden wordt en vele aanhangers kent. In 1940 verscheen een zekere "John from America", op Tanna. Hij bracht heel wat, voor de locals, onbekende spullen mee. Later overspoelden de Amerikaanse troepen het eiland met jeeps, radio's, sigaretten. John beloofde terug te keren met meer van dat. Een nieuwe religie was geboren. Nog steeds wacht men op John Frum,  een nieuwe Messias. Men houdt erediensten, zingt voor hem en viert jaarlijks een speciale John Frum-dag.

Veel meer heeft Tanna te bieden, zoals de grootste banyan boom ter wereld, die een voetbalveld kan overspannen. Of dat werkelijk klopt, zullen we een andere keer komen uitzoeken, wij moeten nu terug naar Vila, naar Jakker.

 

Op het strand.

 Fietskoers.

 

Positie : Port Vila mooring

 

Hondsmoe, met een joekel van een jetlag, maar tevreden, gelukkig zelfs zit ik, naast Tony, in een busje vanaf de luchthaven richting Jakker. Ruim 11 dagen ben ik weggeweest, naar huis, naar de familie, naar de begrafenis van onze pa.

Op 1 oktober bereikte ons immers het bericht van zijn overlijden. Rustig, in zijn slaap, omringd door zijn gezin, nam hij afscheid van het leven. Verdrietig zijn we, maar ook dankbaar om zo een rijk, lang leven (bijna 97 jaar) en om de twee laatste “vertroetel” weken thuis.

Via onze verzekering en met hulp van Jean-Marc en Karen (van Vanuatu uit naar de verzekering thuis bellen is een verschrikking) kon ik bijna onmiddellijk een vlucht naar huis bemachtigen en zodanig op tijd zijn voor de begrafenis. Tony bleef in Port Vila.

Een heftige periode met veel emoties wachtte me. Maar mooi om zoveel familieleden en vrienden terug te zien. Er is nog even ruimte voor extra tijd met broers en zussen, vriendinnen. Maar dan stap ik, samen met dochter, Karen, nóg een keer in het vliegtuig naar Faro (Portugal), dit keer.

Want nu ik in Europa ben, hoe kort ook, kan ik toch niet buiten een bezoek aan Temanu'a, de boot van zoon Bert en zijn gezin, in Portimão.
Onmenselijk vroeg verlaten we een herfstig nat en koud België om een aantal uren later in het zonovergoten Faro te landen. In Portimão lopen Lyam en Roxie ons in hun dol-enthousiaste begroeting bijna omver. Drie heerlijk drukke dagen volgen. Het hele programma moet afgewerkt. Naar het strand om in de surfgolven te springen en te (body)surfen. Ik trotseer het ijskoude water.
Naar de prachtige rotsformaties, grotten en bogen van Praia da Rocha om er te ankeren en met de dinghy te rijden op de golven, op verkenning tussen al dat moois.
Wakeboarden en suppen is meer iets voor Karen en Bert.

 

Van links naar rechts Oma, kleinkinderen Lyam en Roxie, kinderen Karen en Bert.

Surfer Lyam.

Broer en zus : wakeboarden achter de dinghy.

Karen op de sup.

 

Oma tijd .

 Tekenen, verhaaltjes vertellen, dansen tijdens een mini-party compleet met kleurig flitsende disco-bal, maar ook “school” en het invullen van herhalingsblaadjes rekenen, het komt allemaal aan bod in een duizelingwekkende vaart.

Boodschappen doen, het kan er ook nog bij. Onze huurauto wordt ingezet. Zeilers hebben nooit genoeg voedsel aan boord, zeker als er kinderen meevaren. De koffer van onze auto zit propvol en met de dinghy wordt alles aan boord gebracht.

Een Portugees-Hollandse lunch bij een eettentje op het strand en een laatste kan mojito, vormen de afsluiter van deze drie onvergetelijke dagen.
Bij het afscheid nemen mag ik niet nadenken...laat ik vooral blij zijn om de tijd die ik hier was. Vorige week leek deze andere kant van de wereld nog totaal onbereikbaar.

Boodschappen wegbrengen.

Oma, teken je iets voor mij ? 

Lees ook de blog van de Temanu'a crew.

 

Eén nachtje kan ik nog recupereren en dan volgt opnieuw een vlucht van effectief 25 u plus 11 u van wachten op diverse luchthavens.

De lange files met wachtenden aan de check-in, de veiligheidscontroles, het boarden, de toiletten, zelfs om een koffie te halen, het heeft het uiterste van mijn incasseringsvermogen gevraagd.
Ik wil nu enkel nog slapen. Maar zelfs dat lukt niet al te best. Om 2 u 's ochtends zit ik klaar wakker in mijn bed. Jetlag is een vreemd fenomeen, een vreemde ziekte zou ik bijna zeggen.

Ook dit gaat weer over en daarna kunnen we ons focussen op het voortzetten van onze reis naar Nieuw-Caledonië. 

 

 

Positie : Port Vila, mooring.

 

Kijk ook even onder het kopje LINKS .  De lijst van "brothers in arms" was aan een flinke update toe. Vele collega vertrekkers verkochten hun boot inmiddels.

 

En dan heb je even nood aan een adempauze. In Mele Baai, op een boogscheut van Port Vila, vinden we een perfecte plek voor een retraite. Jakker rolt veel minder dan vorige keer.
Het gadeslaan van de groene schildpadden is bepaald rustgevend. Anders dan in de meeste baaien, ploeteren ze hier lang aan de oppervlakte, hun vinnen wapperend, hun nek uitgestrekt, kop omhoog.

We wandelen vaak en stellen daarbij vast dat er nog steeds met vele handen zand van het strand wordt geoogst/gepikt. De volle zakken staan klaar. Straks komt de truck. Leest hier niemand de verbodsplaat even verderop. En bovendien, is er geen controle op dit illegale afgraven van het strand.
Toegegeven, het zand ziet er prachtig uit, is bovendien prima bouwmateriaal. Maar zo houd je, jammer genoeg, geen strand meer over.



Vrijdag kan de fire show ons nog een keer boeien. Samen met vijf yachties crews uit Port Vila, overgekomen met een busje, genieten we van het spektakel gebracht door de jonge inwoners van Mele Village.

Maar de wind wakkert aan, de golfhoogte neemt toe...wij dus weer terug naar de moorings van Yachting World in Port Vila. Helaas, opgestaan, plaats vergaan. We krijgen de laatste mooring, helemaal aan lage wal en nog net niet tussen de “wrakken”. Bovendien tuffen lawaaierige bootjes met cruise-schip toeristen de ganse dag af en aan, alsof ze een spelletje doen “zo dicht mogelijk bij Jakker langsvaren”.

Tussen de wrakken.

Na twee dagen is ook dat probleem weer van de baan en komt er een boei vrij, dicht bij het dinghy dok.

Weetjes.
Intussen kan ik nog wel wat weetjes over Vanuatu kwijt.

Men probeert hier wat te doen om het plastic afval te reduceren. Er geldt een verbod op het gebruik van plastic zakken. In de plaats daarvan verpakt men groenten en fruit in rode en gele nylon netjes, met tientallen tegelijk te koop. In de supermarkt vul je gewoon zo een netje met uien, wortels e.d. Recycleerbaar zijn ze wel, maar afbreekbaar ?

 

 

Vervoer is spotgoedkoop. Busjes rijden in lange files heen en weer door de stad. Bepaald niet vriendelijk voor het klimaat, waar men ook hier de mond van vol heeft. Voor 150 Vt ( 1,2 €) raak je overal. Als je uitstapt, zeg je “Allee” , zoals thuis , of Lukim you (=see you).

Maar in de supermarkt (supa) en op de groentemarkt is alles minstens dubbel zo duur dan in Fiji.

Het Bislama blijft ons boeien. We proberen borden met algemene richtlijnen en regels te ontcijferen, lachen daarbij heel wat af.  Zo kan je lezen dat je niet mag spuwen in het park. Niet naakt mag lopen …

Afscheid.

Het jachtendorp dat vorige week nog zo dicht bevolkt was, begint uit te dunnen. De deelnemers van de GoWest rally vertrekken richting Iles Loyauté (Nieuw-Caledonië).  Ook onze maatjes van Jonas wuiven we uit. Tot ziens in Nouméa.

Want uiteindelijk varen wij ook daarheen. Naar Nieuw-Caledonië, waar we alweer het volgende cycloonseizoen (december-mei 2020) willen doorbrengen. De tijd vliegt.
Veilig zeilend afstanden afleggen in de Zuid-Pacific kan slechts tijdens één helft van het jaar. De andere helft moet je je gedeisd houden voor het orkaangeweld.

 

Positie : Port Vila, mooring .

Lukim yu (see you), Maskelynes.

 

Awei Island, Jakker uiterst links.
 
Bij het eerste licht, nu al rond 5u30, verlaten we stilletjes Awei island en de drie catamarans die ons intussen daar zijn komen vergezellen. We willen terug naar Port Vila en hopen dat de weermakers het juist hebben, dat we op die ene dag met noordoosten wind de bijna 90 mijl zeilend kunnen overbruggen.

Onze koers, westelijk van de eilandenstring van Vanuatu, bezorgt ons sterke stromingen en windversnellingen met hoge, onrustige klotsgolven in de “openingen tussen de eilanden”, rustiger water in de schaduw, vooral van Epi Island. We lopen door de band 7-8 knopen, hebben af en toe stroom mee en bereiken zo bij zonsondergang de stroomrafelingen en het onrustige water bij Devil's Point, de laatste kaap vóór Port Vila.
Blij zo te kunnen zeilen alhoewel mijn migraine roet in het eten komt gooien. Na een middagdutje gaat het toch weer beter.

 Kokonat raenoseros bitel.
Maar de echte pretbederver blijkt de Kokosnoot Neushoornkever te zijn. Al in Lakatoro, op het festival, vernamen we dat Havannah Harbour tot tabu area voor schepen is verklaard. In die prachtige grote baai met eilanden, op Efate, wilden we even een tussenstop maken. Mooi niet dus. Je mag er niet in of uit.

Op de plantage waar men bio-diesel brouwt uit kokosnootolie is plots dat beestje opgedoken. Een nachtmerrie scenario als die “kokonat raenoseros bitel”, samen met af en aan varende schepen, als verstekeling naar andere plekken in Vanuatu zou meereizen. Een ware ramp voor de eilanden, waar de meeste mensen van de toch-al-niet-zoveel-opbrengende copra leven. Hun schaarse inkomsten nog meer gedecimeerd.

Geen stop in Havannah Harbour minstens tot eind oktober !!!

Terug in de stad.
Eén keer donker, zakt de wind weg, daarom motoren we de grote, natuurlijke baai van Port Vila binnen. Hier wijst een geleidelicht, echt waar, ons de weg. Wat is dat lang geleden! Een geleidelicht “schijnt” in sectoren : als je in de witte sector zeilt, zit je goed. Zie je een rood licht voor je, moet je meer zuidelijk sturen, bij groen licht omgekeerd.

Een amper verlichte ferry passeert ons en dan zijn daar de boeien van de ingang al. Bij de “quarantaine zone” liggen een achttal boten, donkere silhouetten, de meesten zonder verplicht ankerlicht, verdorie. Tony staat op de boeg en loodst mij overal tussendoor (ik zie ze niet zo goed vanaf mijn plek aan het roer) naar een goeie ankerplek. Oef !

's Ochtends worden we gewekt door een mix van hakka en scanderende militairen (op zijn Amerikaans ?) in zware looppas. Exercisie voor dag en dauw? Hallo beschaving.

Jonas.
Hallo Hanny en Jacob ook! Meteen de volgende dag, even water bijvullend aan de steiger, op weg naar de ons toegewezen, net vrijgekomen, laatste boei klinkt het hard over het water : “Zie ik nu Genk op die spiegel ??? Hallo, Jakker “. Daar heb je Hanny en Jacob van Jonas. Toeval bestaat niet !?

Water tanken aan de steiger.

De ankerboeien liggen erg dicht bij elkaar bij Yachting World.

Bij hun aan boord ontmoeten we Wilma: zeilster, back packer, opstapper. Zij maakt een reis in de Pacific, daarvoor warm gemaakt door Hanny's blog.

Samen uit eten ? Lekker !

Terwijl we rustig ons visje verorberen, schrikken we plots alle vier op. De houten vloer davert en trilt. Een zware dame neemt iets verder plaats, lacht Tony nog.
Maar wat blijkt. We maakten net een kleine aardbeving mee. Eén van de fenomenen die Vanuatu tot gevaarlijkste land van de wereld maakt. De andere zijn vulkaanuitbarstingen, tsunami's en cyclonen.

Slachtoffer is de elektronische kassa. Geen nood wij krijgen onze rekening geschreven in het mooiste handschrift .

In Waterfront Bar and Grill met de crews van Jonas en Eye Candy.

Lokale ferry.
Ook in Vila kan je mensen van de eilanden ontmoeten. Ze komen immers geregeld voor grote inkopen naar de stad. Dat moet dan met ferries als Big Sista en Princes Marie. Overvol staat de, door cycloon Pam, verwoeste kaai, voor het vertrek. Grote kartonnen met TV's of keukentoestellen moeten ook een plaatsje op de ferry krijgen. Zou het wel allemaal veilig zijn?

Fest'Napuan. 

Na dagen van stralend blauwe “Middellandse zee” lucht, zakt de SPCZ weer over ons en kan het gieten beginnen. Dat er van woensdag tot zaterdag een festival in het park (Fest'Napuan 2019) gepland is, kan ze hierboven niks schelen. De regen blijkt zelfs traditie ! 

Om een kijkje te gaan nemen, halen we alles uit de kast. Letterlijk : lange broek, sokken, SCHOENEN, jasje, sjaaltje, paraplu's. Best wat zoeken.
Maar wij hebben het tenminste warm. Podium, beamers met videobeelden, een tent met de licht en klankmannen, alles net zoals thuis, dank zij de “bigfella sponsas”. De plaatselijke friet is laplap (gekookte manioc, zoete aardappel met kip of vis) en het bier = kava. Kraampjes zat.
We genieten van roots rockband Dropvkal. In hun muziek horen we flamenco invloeden. Maar het duo Fuego Ritano brengt het echte zigeunergeweld. De sologitarist is kleinzoon van Manitas de Plata. Hij woont in Nieuw-Caledonië, is oorspronkelijk van de regio Montpellier.

Schitterende gitaarvirtuoos, muziek à la Gipsy Kings. Eens wat anders dan de typische Vanuatu String Bands.



Slecht nieuws.
Maar het sombere, koude weer weet van geen wijken.

En ook op Jakker zakt het moraal want er komen verontrustende berichten van thuis. Super bompa (mijn pa 96 jaar oud) is in het ziekenhuis opgenomen. Het gaat niet goed met hem. Op onze Whatsapp Familie groep flitsen berichtjes van mijn broers en zussen, neven en nichten over de halve wereld tot bij ons. Elke ochtend ben ik bang om ze te lezen. Bang afwachten. Wat kan ik doen?

 

Positie : Awei island (Maskelyne Islands).

Het gekrijs van het varkentje snijdt door merg en been. “Gillen als een gekeeld varken”, we snappen dat plots veel beter.

De man die het beestje naar voren brengt, legt het voorzichtig aan de voeten van de chiefs en de president van de provincie Malampa. Men rijkt deze laatste een knuppel aan en met een welgemikte slag klopt hij het biggetje naar de andere wereld.

Niks voor tere zielen of Gaia-adepten, maar, alweer, “kastom”. The pig killing ceremonie hoort bij alle vieringen in Vanuatu.

Elke man hier kan deze klus klaren want verplichte oefening bij de inwijding van jongen tot man.

 

Vandaag is het feest in het dorp Pellonk (Maskelynes – het grote door eilanden en beschutte baaien gekenmerkt, afgelegen rif in het zuiden van Malekula) . De doopvontschelpen farm “Ringi Te Suh” (Leave it alone !) bestaat 25 jaar.

Toevallig dropten wij, in de baai aan de zuidkant van het eiland Uliveo, ons anker.
Toevallig maakten wij met John, onze “ zelf benoemde” gids, gisteren de wandeling doorheen de onbeschrijflijk mooie jungle naar de farm voor een bezoek. Prompt nodigde Jack's dochter, de volgende generatie schelpenkwekers, ons uit voor de jubileum viering. Morgen om 8 u al ! Vroeg opstaan.

Zo komt het dat we nu op twee, speciaal voor ons gereserveerde plastic stoelen, de hele ceremonie kunnen meemaken. Alle chiefs, aangevoerd door een soort tovenaar, nemen plaats op de “tribune”.

 

Het programma, naast de killing of the pig, omvat veel toktok (speeches) in Bislama. Af en toe dringt er een woord tot ons door.
Jack (gepensioneerd hoofdonderwijzer en baas van de farm) vertelt de geschiedenis. Zijn familie, de Enrels, wilde iets doen aan de vernieling van het rif en de overbevissing in de baai. Startte (volledig zonder steun) deze, over 100 hectare rif uitgespreide, schelpenfarm, die in 1994 officieel tot “conservation area” gepromoveerd werd.

Zo zorgen ze voor de bescherming van het rif en tegelijk voor de productie van de nodige proteïnen voor de bevolking (ze eten die reuze schelpen) zonder dat ze de laatste visjes uit de lagune moeten vangen. Leave it alone and leave it to multiply.

Nog meer hoogtepunten : de onthulling van een monument dat aan deze heuglijke dag moet herinneren , het aansnijden van de verjaardagstaart met wel 15 handen tegelijk. Het aanbieden van geschenken aan de genodigden, waarbij ook wij weer een waaier rijker worden.

 

Opvallend : vrouwen komen bij de ganse ceremonie niet aan bod, spelen vooral een tweederangs rol in Vanuatu. Overal rond het terrein zitten ze op zelf geweven, meegebrachte matten in hun ruime “missionaris” bloemenkleren. Enkel voor de catering blijken de dames onmisbaar.  

De string band, met in het midden de soort rommelpot voor de basklanken, speelt een paar deuntjes.

Na het buffet van visjes, een spiesje van kreukels uit de mangroven, manioc, kumala (zoete aardappel) toont Jeannie, de acrobate van het dorp, haar kunsten.

Als de dj het overneemt en de muziek te hard wordt, besluiten we naar huis te gaan.

De doopvontschelpen zelf, de sterren van de viering, zijn nu, laag water en bovendien spring tij, niet bereikbaar. Het rif ligt helemaal droog. Jammer.

Maar de doejong die we 's avonds zien, maakt veel goed.

Een toeval komt nooit alleen ?! Als we de volgende middag de baai uitvaren, roept een naderende catamaran ons op. “Jakker, this is Begonia. Zijn jullie niet de boot waarmee we samen door het Panama kanaal voeren in 2014 ? “
Wow, dit komt even uit een ver verleden, maar het blijkt te kloppen . We moeten dringend eens bijpraten. Onze zeilerswereld is klein.

 

 

Positie : Uliveo, Maskelyne Islands

Zeg je Vanuatu, dan moet spontaan bij je opkomen : traditie of, in hun woorden, “kastom”. Als er één land is waar traditie op “nambawan” komt, dan in dit eilandenrijk. Tijdens het yamseizoen is het pas echt feest. Ze slaan je met dansfestivals om de oren. De yamwortel, hun basisvoedsel, hun aardappel, hun leven, moet geëerd worden.

Het gebeuren in Lakatoro (Malekula) echter is toch nog even wat anders. Na tien jaar van afwezigheid, kan je hier de moeder van alle festivals meemaken, het Vierde Nationale Kunsten Festival. Meer dan 1.000 dansers en kunstenaars van elk veraf- en dichtbijgelegen eilandje tonen hier hun kunnen, een week lang. En wij zijn erbij.

We trotseren de hitte, de zonder genade brandende zon, het door stampende voeten opgewarrelde stof op het veel te grote voetbalveld.
De dansers té ver weg naar ons Westers gevoel. Het enthousiasme van de vele, voor hun dorp supporterende Melanesiërs, daarom niet minder.

Zonde dat we de verhalen, die ten grondslag van elke dans liggen, niet begrijpen. Maar het is dan ook duidelijk geen voorstelling voor witte mensen (de meesten bereikten Lakatoro, zoals wij, al zeilend) en dat maakt ons blij.

 

Tijdens de lange “toktok” (speeches) van ministers gaan we een hapje eten in één van de uit bamboe opgetrokken petieterige eettentjes. Sliertje kip met zoete aardappel, banaan, papaya op een schaal van gevlochten palmblad (geen piepschuim of plastic.) Drank : kokoswater.

Terrasjes, een cafeetje...vergeet het maar. Aan het eind van de dag doen mijn billen en rug pijn van de harde banken en het op de grond zitten.


Er wordt ook aan “edukesen” (education) gedaan. “In” traditionele vuurtjes en onder hete stenen, worden in bananenblaren gerolde lekkernijen als vis en geraspte kokosvrucht, taro en manioc gestoofd, nadat eerst is gedemonstreerd hoe men dat allemaal klaar maakt. Grote belangstelling van zwarte mensen. Kan men dit nog enkel in de geïsoleerde dorpen? Naar hartelust wordt kokosnoot geraspt en steeds weer in kokoswater tussen vingers geperst .

 

Ondertussen gaat de stoet en het optreden van dansers met indrukwekkende hoofddeksels en schilden onverminderd voort. Het monotone, diepe gezang, als van een groep dronken mannen, vindt Tony een beetje oneerbiedig, gonst nog lang na in ons hoofd.

 

Nog even de markt aan de overkant bezoeken. Overvol dit keer, er zijn immers zoveel monden te voeden.

Je kan er geen voet verzetten of je trapt op iemand. Verkoopsters wonen zowat op de markt, ze slapen overal waar ze kunnen, onder de tafels, kinderen bij zich. Meer verkoopsters àchter de tafels dan klanten ervoor. Tien vragende ogen kijken naar me op. Aan wie moet ik deze boontjes betalen? Scheef lachje, weer een witte dame, onbekend met de marktgebruiken.
Een paar hanen, strak verpakt in een gevlochten mand, ondergaan hun lot, gelaten. Horen niks, zien niks.

Zoek de haan !

Na twee dagen hebben we het verzadigingspunt bereikt. Genoeg blote billen, peniskokers (Big en Smol – breed en smal) scanderende mannen, tamtams en rammelende enkelratels. Met een busje rijden we terug naar de kaduke steiger in Litzlitz, komen deden we in de bak van een truck vol bananen.

Wat nu volgt is de pijnlijke apotheose, de ultieme marteling van onze toch al moe-e spieren. Over de rotsen klauteren naar Jak, valt nog wel mee. Maar dan wacht ons een kletsnatte tocht van meer dan een kwartier richting boot. Tegen wind en golven jakkerend zetten we ons schrap om niet overboord te gaan, daarbij omarm ik de twee rugzakken met kostbare fruitlading.
Steile golfjes spatten in zoute gulpen over ons heen. Jak is een “natte” dinghy, het minste wat je kan zeggen.

Wat later, na een zuinig afspoelen (water sparen) en bij een pintje Tusker, beginnen mijn armen weer enigszins te “leven”. Wij keuvelen wat na.
Op belevenissen als deze kunnen we een hele tijd teren. Zeg maar niks, ik weet het. Wat zijn wij gelukzakken !

 

 

Additional information