In de vroege ochtend varen we, achter de rib van de marina aan, de haven van Rabat binnen. “Bonjour, suivez-nous“, verwelkomden ze ons.
Moedertje Europa hebben we achter ons gelaten, dit is Afrika.
Geuren van hout, vochtige humus, geiten, stof ook. Het is als in Egypte van het vliegtuig stappen.
Dan die eerste beelden: geen kerken meer maar moskeeën, een Portugees fort, kleine witte huisjes, palmen, toeterende auto’s, kleurrijke vissersbootjes, een kaai vol vis, heel veel mensen eromheen, handelend, ruziënd over de prijs ….. we varen eraan voorbij en kijken ernaar. Maar opletten ook, het bootje van de jachthaven tuft verder. Bakboord uit, de jachthaven binnen. Aan de eerste steiger het jacht van de koning.
Wij varen verder en krijgen mooi een plaatsje toegewezen. Drie mannen helpen ons afmeren. We mogen niet van boord, dienen te wachten op douane en politie.

En dan volgt een erg efficiënt afwikkelen van inklaren. Geen vijf minuten na ons afmeren zijn ze er al: de douanier en de politieman. Papieren worden ingevuld. Maar dan plots een regenbui en we verhuizen naar binnen. Ze openen een beetje verveeld deuren, de badkamer, de “achterkajuit van Bert en Stefanie”, het kastje met medicijnen, kijken wat rond in de voorpiek, openen een kleerkast. Als we ook nog “rien à déclarer” blijken te hebben en “pas d’armes” aan boord. Vertrekken ze met de vriendelijke boodschap :”Soyez les bien venus”. De drugshond die later bij onze Franse buurman op bezoek moet, gaat aan onze Jakker voorbij.

We zijn er geraakt, dus. In Rabat. Maar we hebben er voor moeten vechten. ‘s Morgens, na de eerste nacht, was het nog steeds heerlijk zeilweer. Maar de lucht betrok snel en de wind nam hand over hand toe. En wij maar zeil minderen tot we met slechts een klein puntje voorzeil nog 6 - 7 knopen liepen. En dan met die wind, bouwt de zee zich op.
In de wasmachine hebben we gezeten. Het hele programma doorlopen. Voorwas, kookwas, spoelen (geregeld kregen we buien). Ook toen de wind het voor bekeken hield, duurde het nog een hele tijd vooraleer de zee weer kalm werd.
Toen hebben we voor het eerst het groene water, waarvan zeilers vertellen, gezien. Een enorme golf, die met donderend gebruis hoog achter je boot opduikt, als een brandinggolf schuimt hij en daarbovenop het mooiste smaragdgroen, een watergordijn waardoor het waterzonnetje schijnt.
Steeds weer surft de Jakker er moeiteloos overheen. God zij dank!

Zo zijn we de tweede nacht ingegaan. Op motor, rollend van boord tot boord, zonder stabiliserende werking van de zeilen, geen wind immers. Slapen kan dan enkel op je rug, ingeklemd in de zeekooi.
Veel eten doe je dan niet meer. Je bent een kwartier zoet om een ‘minute soepje’ klaar te maken. Water in de moor laten lopen, het vuur aansteken, een mok uit de kast halen (oppassen, als je het deurtje openmaakt valt de inhoud eruit) , soeppoeder in de mok, dan gevaarlijk: heet water ingieten, niet te vol, want de soep klotst op en neer. Dat allemaal terwijl het vuur, de bodem waarop je staat, de soep in je mok, jijzelf van links naar rechts schommelen.
Kan je geloven dat we zo moe zijn in onze rug als we ergens toekomen? Ergens bij die wasmachine stond er in dat wassalon ook nog een ouderwetse mangel waar ze ons wel lijken doorgehaald te hebben.

Maar dat alles is weer vergeten, als we, na een verkwikkend middagdutje, op het terras van de marina Bouregreg (Rabat) aan onze muntthee nippen en genieten van alles om ons heen.

 

 

P9140695 (Medium)P9140696 (Medium)P9160701 (Medium)

 

 

 

 

 

 

P9160704 (Medium)P9160705 (Medium)P9170708 (Medium)