Positie : Bonne Anse (Baie de Prony).

Cycloonvoorbereidingen.
“Vous savez,” lacht Fanny onze bezorgdheid weg, “als je uit het water komt, moet je je twee keer grondig met veel zeep douchen. Daarna poets je je tanden drie keer na mekaar. Zo ben je vrij zeker geen ziekte op te lopen !”
Vervolgens zet ze haar duikmasker op, neemt haar mondstuk tussen de tanden en verdwijnt in het door riolering vervuilde water van marina Port Moselle. Over de bull sharks, waar anderen ons voor waarschuwden, rept ze met geen woord.

Het is half zeven 's ochtends en om zeven uur al verschijnen de beroepsduikers voor een grote pre-cycloon controle van de “aussières” (de lange cycloon-landvasten).
De tijd dringt, Fanny haast zich onze lijnen vast te maken aan de zware ketting op de bodem.
Pas gisteren, na meer dan veertien dagen eindelijk terug in de marina, toen we langsgingen bij de capitainerie, drukte men ons op het hart dat er voor ons nog werk aan de winkel was. Daar bedoelden de vriendelijke madammen niet enkel contracten tekenen en betalen mee. We moeten ook dringend twee lange touwen, 77 m elk en in een welbepaalde hoek vertrekkend van de achtersteven van onze boot, vastmaken aan de ketting die evenwijdig tussen twee steigers op de bodem van de marina ligt. Aldus verzekert men aan alle boten een betere houvast tijdens de keiharde cycloonwinden. 
Voorlopig maak je het andere eind aan de steiger vast. Bij een “alerte cyclonique” moet iedereen die lange “aussières” keihard aantrekken en aan het achtereinde van de boot vastmaken, zo de boot 2 m van de kant trekkend, eveneens los van de catway, zodat alle jachten vrij kunnen bewegen.

Probleem : lange lijnen van 18 mm doormeter zijn, door de grote vraag van het ogenblik, quasi onvindbaar in Nouméa. Wat nu?
En dan komt duikster Fanny op de proppen. Ze wil ons wel helpen voor een “zacht” prijsje.  Ze weet splinternieuwe landvasten (450 €) op de kop te tikken. Na een half uur is het zaakje aan de ketting bevestigd. Op de bodem moet het een warboel zijn van touwen over en onder elkaar.
Het officiële controleren neemt een voormiddag in beslag. Touwen die in een knoop zitten moeten ontward, een touw dat half doorgesneden is dient opnieuw aan elkaar gesplitst. Eén van Jakkers touwen moet opnieuw bevestigd, de hoek die het touw met onze achtersteven maakt blijkt niet wijd genoeg.
Wat een gedoe. Wij kijken toe, moeten af en toe een touw bijtrekken. Pas rond het middaguur verdwijnen de duikers tevreden van het toneel.  Onze ponton des visiteurs is klaar voor het orkaanseizoen.
Sinds 15 jaar (Erica 2004) raasde er geen tropische storm meer over Nouméa. Laten we daar minstens nog een jaar aan toevoegen.

Proviand.
Eigenlijk kwamen we terug naar Nouméa voor proviand en dan vooral om onze verse groenten- en fruit voorraad aan te vullen. Ettelijke sjauwtochten naar markt en supermarkt later is alles weer bijgevuld. Nooit gedacht dat onze reis voornamelijk zou bestaan uit boodschappen doen over de hele wereld, in de meest diverse “winkels”, van blitze supermarkten tot winkelhokjes achter tralies, de naam winkel amper waardig.
We zijn zo langzaam experts in hoeveel je met twee personen, twee rugzakken en een aantal tassen over pakweg een kilometer naar de boot kan meeslepen.
In NC waar Casino en Champion uitpuilen van bijna vergeten lekkere dingen komen we altijd nog wat zwaarder beladen thuis. Wat dacht je van bastogne koekjes, verse zuurkool  en worstjes, brie, speculaaspasta, Leffe blond enz enz.

Ook bootaankopen zijn dringend aan de orde. Marine Corail en Speed Marine, aan de overkant van de haven, blijken de eerste échte watersportzaken "zoals bij ons", sinds Papeete. Elke maand worden ze verwend met een vrachtschip vol bootspullen uit Frankrijk. Lang uitgestelde aankopen (o.a. brandblusser) moeten nu maar eens eindelijk gebeuren. Een hele hap uit ons budget. Tony vindt eindelijk de buisjes en kraantjes om ons lekkende kraan probleem op te lossen en werkt een ganse dag, dit keer met de “pet van loodgieter” op.

Nouméa raakt stilaan in kerstsfeer. Getuige een feeëriek verlichte Place de Cocotiers
Onze Belgische buur vertrekt met zijn pas gekochte schip Onyx naar Australië voor een proefvaart.
Ook wij willen er weer op uit. Varen helemaal zuid-oost naar Baie de Prony (30 M) waar ontelbare ankerplekken en wandelingen te verkennen zijn.

Wandelen.
Eerste stop : Ile Casy. Er woonden ooit Kanaken van het nabijgelegen eiland Ouen. Ze bleven er niet zo lang want de bodem zit (zoals op veel plekken) vol natuurlijke, zware metalen, het hier geteelde fruit en groenten dus ook. Van het kerkhof schiet niet veel over. De allereerste loods-kapitein is er begraven. We genieten van de wandelingen doorheen de jungle en op de kale, geërodeerde top van het eiland waar we onze bootsnaam achterlaten tussen de vele anderen. Een beetje als je naam schilderen op een kademuur. Bert en de kinderen deden dit op Tenerife.

Een enthousiaste Frans Nieuw-Caledonische zeilster stuurt ons naar een volgende verlaten baai : Baie Majic. Met wandelschoenen aan onze onwennige voeten vatten we de klim aan naar het observatie centrum voor de walvissen en de vuurtoren N'dua. Walvissen zijn er deze tijd van het jaar niet. Maar we zien Ile des Pins in de verte.  Onze volgende bestemming?
De vuurtoren wijst sinds midden 19de eeuw, en nog steeds, de weg naar en van Havannah kanaal, de ingang tot de lagune van NC. De prachtige weg door jungle en over sterk beschadigd vulkanisch terrein moesten de vuurtorenwachters vroeger elke dag afleggen om het licht te gaan aansteken. Opvallend, de rode aarde die je schoenen vuurrood kleurt.  Rode aarde die nikkel, chroom, kobalt, ijzer bevat. Vlug afborstelen anders krijg je de vlekken niet meer weg.

 

Positie : Port Moselle Marina.

Dit verhaal gaat alweer over veel (te veel) wind. Verveelt het je? Ons zeker.

Elke dag waait het, het schuim van de golven. Al bijna twee weken lang nu.
Wij durven haast niet meer te verkassen. Van dat geplande hoppen van de ene mooie ankerplek naar de andere komt niks in huis. Enkel pijnlijk vroeg, als de zon net op is, rond 5 u kan je op een deftige manier snel ergens geraken. Eén keertje zeilden we rond die tijd een uurtje naar het noorden, naar Baie Tiare.
Enkel om te ontdekken dat die baai lang niet zo goed beschut is als onze Rocket Guide ons wil doen geloven. Bij hoog water komt de “houle” ons gewoon om de oren slaan, rond het eiland, dat ons moet beschutten, heen. Windvlagen geselen Jakker, die achter het anker zwaait alsof ze elk ogenblik gaat vertrekken. De behoorlijke branding aan het strand maakt het erg moeilijk aan land te gaan. Wij dus wijselijk de volgende dag terug naar af, terug naar onze vorige baai Maa.

Daar kunnen we wél aan land, het is immers hoge wal (de wind en de golven komen van die kant) en er zijn prachtige wandelingen te doen.
Met Maps.Me (navigatie app) in de hand vinden we de kleinste wegeltjes, crossen zo over de heuvels naar mooie zandstrandjes. We verkennen de rotsige kust, een verlaten huisje, een scheepswrak, een parapente veldje.

Lijkt wel wat op de Maten (Genk) enkel de palmbomen vind je daar niet.

Af en toe komen er boten bij ons ankeren. Een Zwitsers stel maakt dezelfde wandeling als wij. Hun doet dit landschap niet zozeer aan Corsica maar eerder aan Australië denken, zij verwachten plots een kangoeroe te zien springen. Zo zie je maar.

In het Rhone-dal beweren de bewoners dat je gek kan worden van de Mistral, de harde, alles verschroeiende wind die 3, 6 of 9 dagen raast. De wind die ons plaagt heet “alizé” of passaatwind en wij zijn die letterlijk oorverdovende wind ook kotsbeu. Het paradijs, we zegden het al zo vaak, bestaat niet. Ons plannetje wordt niks.

Daniel van Maito, kleine catamaran met twee vrouwen van La Réunion op bezoek, bezorgt ons plan B. Waarom niet in alle vroegte naar Ilôt Maître, daar ben je goed beschut, het is er goed snorkelen.
Zodoende liggen we nu in een echte Club Med omgeving. Zaterdag-zondag is het aantal weekend jachten niet te tellen. Dagjestoeristen op de strandjes, op de terrasjes. Aan de andere kant van het piepkleine eilandje (het ziet eruit als een landingsstrip) heerst Koning Kite. Brouwersdam in het klein, in het warm ook. Heel jong Nouméa leeft zich uit op de kite.
Zeker iets voor Bert. Je boot vlakbij het kitestrand, enkel een stripje eiland ertussen.

Schol ! Op JM zijn verjaardag en ook nog een beetje op die van mij !

Straks keert de rust weer, als de nieuwe werkweek iedereen terug naar de stad dwingt.
Is de wind iets afgenomen? Nauwelijks. Weer zijn honderden hectaren maquis in de vlammen, aangewakkerd door de hevige wind, opgegaan dit weekend. 's Nachts zie je het vuur op de bergen rondom Nouméa. De droogte : een probleem in Nieuw-Caledonië. Iedereen smeekt om water. Zal het regenen vanaf 15 december, als het “vuurseizoen” officieel afloopt ? Wordt vervolgd.

  

 

 

 

Positie : Baie Maa  ( Grande Terre – Sud )

Foto's volgen als we wifi hebben.

Armand Pien, zaliger gedachtenis, herinner je je hem nog?  Armand Pien dus, hij had het altijd over het Azoren Hoog dat het weer in onze contreien bepaalde.
Wel hier in Nouvelle Calédonie en dit deel van de Zuidelijke Stille Oceaan ( Fiji, Vanuatu enz.) hebben we ook zo een fenomeen : het hoog boven Nieuw-Zeeland en/of de Tasman Zee. Dat hoge drukgebied, weermannen noemen het wel eens het BFH (big fucking high) als het tot boven de 1030 hPa stijgt, versterkt af en toe de zuid-oost passaat op zulk een wijze dat elke verstandige zeiler zich verschanst in een beschutte baai.
Elke veertien dagen lijkt het wel van dattum te zijn. We liggen dus opnieuw, dit keer met drie mede slachtoffers, heen en weer te zwaaien, geteisterd door de felle “raffales”.
Ideaal om wat te schrijven, over Nouméa misschien.

Nouméa overrompelt ons. Sympatieke stad, met koloniale gebouwen, veel groen, mooie pleinen, Place des Cocotiers op kop en een goed voorziene groentenmarkt, om van de enorme vismarkt nog maar te zwijgen. En bezorgt ons een cultuurshock.

Place Cocotiers.


Het enorme aantal verkeerslichten, met lichten voor voetgangers ! Het verkeer, vreselijk druk. De vooral blinkend nieuwe auto's razen in drie rijstroken voorbij....stoppen echter als je, één voet op straat, een poging tot oversteken doet, zelfs waar geen zebrapad voorhanden is. Vreemd Europees.
In Vanuatu zagen we de wegen ingepalmd door lange kolonnes busjes, vaak aftandse exemplaren. Verkeerslichten ? Nooit van gehoord !  Voetgangers ? Een exotisch ras waar je absoluut geen rekening mee dient te houden.
Een andere wereld.


De marina verwent ons met gloeiend hete douches, waar je wel uren onder zou willen staan. Free wifi die enkel “buiten in de kuip” te ontvangen is en ook niet echt snel blijkt. Het gezellig-populaire café  “Au bout du monde” aan het eind van de steiger en … een misselijk makende rioolgeur. 
O ja, en vanmorgen een heiige lucht veroorzaakt door de rook van de bosbranden in Australië, die tot hier waait, dat wil Météo Nouméa ons toch doen geloven.

Toch wordt deze marina onze thuis voor de volgende maanden. Na het uitgebreid opmeten van de maten van Jakker, krijgt ze plek "A 12" aan de passantensteiger toegewezen. Het heeft allemaal met het cycloonseizoen te maken en met het feit dat we niet in de clinch zouden raken met stagen en zalingen van ons buurschip. Er staan veel gegadigden op de  lange wachtlijst voor een plekje aan de passantensteiger maar wij reserveerden al in mei. Deze haven, bomvol met lokale jachten, heeft de reputatie van een gerenommeerd hurrican hole. (= cycloon veilige plek).

Het plan is : zoveel mogelijk rondzeilen in de lagune als het weer het toelaat. Zoveel mogelijk eilandjes en ankerplekken van Grande Terre verkennen. Bij cycloondreiging snel terug naar onze ligplaats.
We zijn daarmee al goed begonnen. Twee nachten brachten we door aan een “corp mort” (boei) bij Ile Larégnère. Eén van de vele marine reservaten dichtbij het buitenrif.  Wandelen kan, op een afgebakend pad. We zien de “tractorsporen” van een schildpad op weg om eieren te leggen, het kronkelspoor van een slang, een groot zeearend nest met twee rondvliegende tiener arenden.
De ruwe, droge, scheefgegroeide struiken getuigen ervan,  de natuurelementen hebben hier vrij spel. 

Ook wij genieten weinig beschutting, er komt tijdens de nacht bovendien een zuid-west  “houle”  (deining) opzetten van 1,5 m waardoor Jakker aan het korte touw van de mooring rukt als een bokkend paard. Veel succes met slapen !
In alle vroegte, we zijn toch wakker, steken we terug over naar het vasteland. Daar kan je zoveel ankerbaaien vinden, die krijg je nooit allemaal gezien. De zeekoeien zijn niet op de afspraak.

Maar het rif lokt en als de wind mindert, wagen we ons, enkel voor de dag, naar Ilot Signal. In de vorige eeuwen gebruikten zeemannen dit eilandje als navigatie hulp, om de passe de Dumbéa, naar Nouméa te vinden.  Een fransman richtte er een 10 m hoog baken op, nu opgeknapt tot een soort witgekalkte zuil.
Ook hier unieke, droge begroeiing die men wil sparen met de aanleg van houten paadjes.
Maar vooral het snorkelen, dat is voor ons jé van hét. Grote vissen zwemmen tussen het grotendeels intakte koraal. Zoveel dikke baarzen zagen we niet meer sinds Fakarava. Twee schildpadden rusten, nauwelijks zichtbaar, op de bodem. Kleine haaien patrouilleren heen en weer.
Hier komen we zeker nog terug.


Voor de nacht pendelen we weer naar een rustige baai bij “Le Caillou” zoals men hier Grande Terre ook wel noemt en maken een mooie wandeling langs het strand met rotsige hindernissen. Het gras op de heuvels is bruin, cactussen en agaven verrassen ons. Het ruikt naar Corsica.

De vochtigheidsgraad is 51 %. De zweterige tropen zijn veraf.

 

 

Positie : Port Moselle Marina, Nouméa, Nouvelle Calédonie.

Dag 5. (van onze tocht naar Nouméa.)

Alweer gaat de wekker om 4 u. Met frisse tegenzin kruipen we uit ons warme bed en kleden ons aan. Het is de laatste week echt fris, je kan ons in de kuip zien zitten met lange broek, trui, sokken in crocs ! De ideale schoenen voor op de boot, trouwens. Antislip, kunnen tegen water en een stootje.
Wanneer hadden we voor het laatst nog zoveel kleren aan ? Ons normale bootuniform is eigenlijk : geen kleren.

Vlug nog een kop Vanuatu koffie, dat kan nog net.

We varen nu in de grootste lagune ter wereld, noord-westwaarts naar Nouméa. Rode en groene “vuurtorens” en boeien wijzen de weg. Makkelijk zat. We genieten van de zoveelste zonsopgang, zien de eerste zeilboten (sinds anderhalve week) op anker dobberen en kruisen zelfs een paar moedige collega's die ook al vroeg onderweg zijn.

 

Ilot Porc-Epic.

8 uur is het en we komen bij Ilot Porc-Epic voorbij, ook hier staat zo een groene vuurtoren neergepoot. Dat schiet goed op, nog zo'n tiental mijlen te gaan. We kijken elkaar tevreden aan.

Maar, hoor ik dat goed, klinkt daar “Jakker” door de VHF radio ? Dat kan toch niet? En roept het officiële reddingsstation MRCC NOUMEA ons op?

Toch wel, daar schalt het opnieuw : “ JAKKER, JAKKER, JAKKER  - MRCC NOUMEA, MRCC NOUMEA, MRCC NOUMEA “.
(MRCC = Maritiem reddings-en coördinatie centrum . Search and rescue. )
En of ze ons oproepen! Als we antwoorden, verzoeken ze ons een Zodiac met vissers te gaan redden. Die zwalpen zonder motor ergens ver achter ons op zee. Of we hen een sleep kunnen geven en naar de kant brengen. Via onze AIS (Automatic Identification System) kan MRCC precies zien waar we ons bevinden, zo een 4 mijl bij de pechvogels vandaan, beweren ze.

Geen denken aan dat je dit verzoek zou weigeren, assistentie verlenen dat móet je gewoon. Tuurlijk, zoeken we hen wel even. Stel je voor dat jezelf in nood verkeert...

Maar makkelijk gezegd. Eerst zie ik helemaal geen bootje. Dan een stipje heel in de verte op de horizon. Wij daarheen. Een visser in een aluminium bootje, maar hij heeft geen panne, verzekert hij ons.

Nog verder weg ontwaar ik, met de verrekijker, wat wel eens een rubberboot zou kunnen zijn. Een kwartier later bereiken we de Zodiac met motorpech en pikken zijn sleeplijn op. De vissers gebaren hoe we moeten laveren tussen eilandjes door, een paar graden naar stuurboord, een beetje meer bakboord, naar de plek waar zij hun boot te water lieten.

Op 5 m diepte maken we los, ze waaien nu zo naar de kant.

Anderhalf uur extra motoren en 9 mijlen heeft het ons gekost. Zij gebaren dat ze ons een fles gaan brengen, als we in de haven liggen ! Benieuwd !

 Op sleeptouw.

Die haven, Port Moselle, bereiken we om 12 u, twee uur later dan verwacht. Zonder probleem krijgen we een plaatsje aan de bezoekerssteiger. Eindelijk zijn we op de plek waar we 10 dagen geleden al hadden moeten afmeren. In de marina is inklaren een fluitje van een cent. Enkel captain Tony mag van boord (wij zijn in quarantaine) om de nodige formulieren op te halen. Die invullen is altijd een hele klus, ze vragen je het hemd van het lijf, maar we zijn voorbereid, moeten vooral “overschrijven”.
Van de vriendelijke Biosecurity man, die waakt over het niet-binnenbrengen van schadelijke “beestjes”, krijgen we 10/10. Weet hij veel dat alle groenten, fruit, aardappelen en eieren al lang opgepeuzeld zijn op onze verlengde overtocht ! Met zijn zware schoenen komt hij aan boord, neemt een kijkje in onze koelkast, knikt goedkeurend naar onze vuilniszak, zonder organische afval en na nog wat vragen verdwijnt hij naar de volgende boot.

In Port Moselle.

De markt van Nouméa.

Als binnen de 2 uur de douane beambten niet zijn opgedaagd, hoeven we niet meer te wachten. We mogen weg.
“Immigraties” komen morgen aan de beurt. Zal wel geen probleem zijn, Europeanen krijgen zelfs geen stempel in hun paspoort. Wij mogen hier oneindig lang verblijven, zolang we niet werken.
Een beetje wankel, na dagen op de boot, maken we een eerste wandeling door het koloniale Quartier Latin.

De straten zien er veel duurder uit, de auto's en huizen ook, bijna Europees, Mediterraan eerder.
Maar de hobbezakken waarin de vrouwen van Vanuatu zich hullen, zie je hier weer terug, zonder de grote opgenaaide zakken en met meer kant.

Allemaal te danken aan de missionarissen die de “onzedige” rieten rokjes verboden en deze grote tenten invoerden. Nu zweren vooral de oudere vrouwen overal in de Pacidic bij deze vreselijk onelegante kleren.

 

 De dames in Vanuatu.

 

 

 

Golven beuken onze bakboord zijde, zware overtocht.

 

Een weldaad voor uitgeputte zeilers, uitrusten in Baie du Santal, Ile de Lifou.

 

Eindelijk bij de Passe de Thio, ingang van de lagune,  Oost Grande Terre .

 

 

Presqu'ile Neuméni, we haalden het tijdens daglicht.

 

 

Moeten bij het eerste licht weer weg.

 

 

 Mijn verjaardageilandje , Ile Némou.

 

 

 

 

Een eilandje onderweg in de lagune.

 

Elke ochtend bij zonsopgang zijn we al onderweg.

 

De kleine witte "stok" (links) is de grote vuurtoren aan de ingang van Canal de Havannah, ingang tot de grootste lagune ter wereld.

 

Positie : Baie de Prony, Grande Terre, Nouvelle Calédonie.

“Vent, vent et vent !” grapt de nieuwslezeres tot besluit van haar weerbericht.
Als zelfs niet-zeilers al over de nooit ophoudende wind gaan klagen en de marathonlopers op Grande Terre vandaag erdoor gehinderd worden, dan weet je het wel, zeker.
We blijven ter plaatse.
Elke dag luisteren we de moeilijk te horen (met veel ruis) weerberichten, vragen we gribfiles op. We wikken en wegen. Vertrekken we vanavond of morgenvroeg misschien ?
Elke dag opnieuw worden we van onze sokken geblazen door een wind van 6-7 bf, waardoor je zelfs aan dek niks kan uitrichten. Ook 's nachts gaat de wind tekeer. We hebben de moed niet te vertrekken.
Tijd voor een plan B. In plaats van rechtstreeks naar de ingang van de grote lagune van Nieuw-Caledonië te zeilen, quasi onmogelijk met deze tegenwind, willen we oversteken naar de, beter bezeilde, oostkust van Grande Terre (het hoofdeiland) en dan later naar Passe Havannah  hoppen.

Dag 1.
Na zes dagen “uitrusten”, gaan we ervoor. Het waait nog steeds hard, maar de windrichting is gunstiger lees meer oostelijk en we hopen een comfortabeler koers te kunnen sturen, niet zo hoog aan de wind.
60 mijl moeten we overbruggen tot de Passe Thio en nog verdere 12 mijl tot de eerste veilige ankerplek. Pijnlijk vroeg weg dus, bij het eerste licht, hier al om 4u45. 
Met twee piepkleine zeilen beginnen we eraan. Ik blijf buiten en aan de “lage” kant zittend moet ik enkel snel mijn voeten intrekken als er weer een gulp zeewater overkomt.
De zeilen staan goed, de golven bruisen wild maar zijn niet gekruist, we gaan er als een pijl met een gemiddelde van 7 knopen vandoor. We eten wat boterhammekes, op voorhand al gesneden, want veel kan je op dit bokkend schip niet uitrichten in de keuken. Voor het eerst zitten we dik aangekleed in de kuip, compleet met sokken en crocs, geweldige anti-slip schoenen.

Rond 14 u rijden we op de achterlijke golven de pas Thio binnen. We zeilen nu binnen het buitenrif, de golven nemen maar langzaam af en als we richting zuid-oost, in de wind,  naar het schiereilandje Neuméni sturen, bonken we ons, op motor, vast in de windgolven. 2000 toeren moet hij draaien om meer dan 5 knopen voortgang te maken.
Eindelijk, rond 15u30 ratelt ons anker naar beneden, vlakbij een mooi strandje, hoge bergen, deels afgegraven voor nikkel, in de achtergrond.
Weer een harde tocht tot een goed einde gebracht.
“Smooth seas never made skilled sailors”, zullen we maar denken.
Al wilde ik dat ik dat bordje bij de douane in Port Vila niet gelezen had.

Dag 2.
Voor mijn verjaardag, de volgende dag, moet ik niet onmogelijk vroeg op, ik krijg een prachtig onbewoond eilandje cadeau, Ile de Némou, 5 mijl verderop. We roeien erheen, neuzen wat rond, bewonderen de hoge pijnbomen die dubbel of drie keer zo hoog zijn als de hoogste palmboom (20m), zwemmen in het frisse water.
We breken de Martini aan die we voor een habbekrats, taxfree aankochten in Vanuatu.
Morgen is het weer werken. Tegen de wind en (wind)golven 26 mijl verder naar het zuidoosten, naar Kouakoué.

Dag 3.
Omdat 's ochtends de wind nog niet zo hard waait, vertrekken we weer om half vijf. We volgen de waypoints van de aangekochte digitale “Rocket Guide voor Nieuw-Caledonië”. 
Niet echt nodig hier, want op de gevaarlijke plekken duiden rode en groene boeien de route aan. Ongezien de laatste jaren.
De kust doet me sterk denken aan Canada, het hoge Noorden, Patagonië (niet dat ik daar ooit geweest ben). We varen moederziel alleen in een ware National Geographic omgeving.  Al dagen geen mensen, geen boten. Wel één schildpad, één zwart en witte zeeslang, een school spinner dolfijnen die wel 5-6 m hoog opspringen, intussen om hun as wentelend, spinnend. 
Zonder problemen varen we uren later de baai van Kouakoué binnen.
Weer een plaatje : wit strand, super hoge pijnbomen, bergen en heuvels op de achtergrond.

Dag 4. 
Zelfde scenario als gisteren. We vorderen steeds verder zuidwaarts langs de kust. Makkelijker vandaag want de wind is noord-oost. Het gaat ons voor de wind.
Hoe dichter naar de pas, hoe dichter ook de wolken samenpakken. Het vriendelijke zonnetje verdwijnt. De wind haalt uit en het begint plots te gieten. Een grote Chinese  vissersboot, op weg naar buiten, verdwijnt achter een regengordijn.
Gelukkig is de regen van korte duur en ook de wind doet weer normaal. Er staat weinig stroming in de pas, het tij is nog maar pas gekeerd. Perfect.
We hebben tijd om al de grote betonnen “vuurtorens” te bekijken.
Rond de middag valt het anker in Prony baai. Bonne Anse zo noemen ze deze ankerplek, die beschutting biedt voor zuid-westen wind. Want als kers op de taart, krijgen we nog een niet verwachte windrichting gepresenteerd. Hopelijk voldoet deze baai in de baai en zullen we niet liggen te rocken vannacht.
Morgen de laatste 30 mijl van deze onverwacht lange tocht ?

(verstuurd via Winlink)

Positie : op anker in Baie du Santal, Ile Lifou, Nieuw-Caledonië.

De rust is allesomvattend en doet zó goed.
Rust, ja, nu wel. Dat was de voorbije anderhalve dag wel anders. Deze laatste tocht hoort zonder twijfel in het vakje “zware oversteken”, het echte “jakkeren”.
We hadden onze voorzorgsmaatregelen genomen, verwachtten hommeles.
Nog meer dan voor een gewone oversteek bracht  ik spullen die kunnen vallen, in veiligheid. De kaartentafel, die normaal vol ligt met bureauspulletjes, gsm's, laptop, ruimde ik helemaal leeg. Alles vindt een plaatsje in de achterkajuit. Het wordt immers een aan-de-winds rak van meer dan 200 mijl over stuurboord van Vanuatu naar Nieuw-Caledonië, en we zullen flink op één oor gaan.
Alles gaat als voorzien. De wind blijft toenemen tot 6-7 bf. Het is werken om de zeilen telkens een stuk in te draaien. Jakker gaat er als een trein vandoor. De golven van 2-2,5 m slaan als mokerslagen tegen de romp om dan in een gulp over de ganse boot te sproeien. Alles door en door zout achterlatend.
Als het te erg wordt, het oorverdovend lawaai buiten, de bewegingen, het overkomende zeewater, verschansen we ons binnen, om elk kwartier ons hoofd eens buiten te steken en rondom te speuren naar andere boten.
Tenminste, Tony doet dat zonder moeite. Ik voel me telkens ik opsta duizelig en ziek. Elke keer heb ik daarna 10 min nodig om te herstellen, nog 5 min rusten en het is alweer tijd om boven te gaan kijken. Twee keer komt het weinige dat ik heb gegeten naar buiten.
Het goede nieuws, we vliegen over het water aan 7 soms wel 8 knopen. Van eten of slapen komt echt niet veel.

Op de middag van de tweede dag zeilen we ter hoogte van Lifou eiland. De golven nemen, achter het eiland, langzaam wat af, de wind blijft. Aan de verleiding van de prachtige westelijke baai kunnen we niet weerstaan. We denken allebei hetzelfde, laten we hier gaan ankeren.
Ok, het mag niet, we moeten eerst gaan inklaren in Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië.  Maar als we niet aan land gaan, kan niemand er iets tegen hebben dat twee vermoeide zeilers beschutting zoeken. Toch .
Zo gezegd, zo gedaan.
En zo brengen we hier al twee dagen op anker door. Luisterend naar elk weerbericht dat we kunnen opvangen, gribfiles inhalend met de radio, twijfelend wanneer we verder zullen varen en langs welke route.

Je vraagt je wellicht af waarom we in de eerste plaats met die harde wind vertrokken zijn.
Wel, het zag er midden vorige week goed uit. Je beslist dan te vertrekken. Kijkt alles nog eens na en gaat vrijdag uitklaren (douaneformulieren invullen, havengelden betalen, paspoortstempels halen) want in het weekend kan dat niet. Dat uitklaren in het piepkleine kantoortje van de douane nam veel tijd in beslag maar was gezellig, met de andere zeilers die ook weg willen. Nooit wordt er meer informatie uitgewisseld en gebabbeld dan daar.
Maar één keer uitgeklaard, moet je binnen de 24 u het land verlaten. Laat nu dat gunstige weerbericht plots met veel meer wind komen aandraven. Bovendien zien we geen oostenwind meer, waar we wel op rekenden.
Niks aan te doen, we moeten weg. Tot zondagochtend treuzelen we nog. Boter aan de galg, er verandert niets. Een harde zuid-oosten wind, bijna op kop, blaast ons helemaal tot Ile de Lifou.
Intussen is, na een heerlijke nachtrust, de harde tocht alweer bijna vergeten. Het is hier goed in onze baai, laat ons maar wat van het zonnetje en het prachtig turkooise water genieten.

 

Positie : Port Vila, mooring.

Vóór we Vanuatu verlaten, breng ik best wat orde in onze resterende, losliggende foto's. Daarom een laatste fotomapje over deze prachtige eilanden.

Kijk onder het kopje "Foto's".

 

 

Positie : Mele Bay, op anker.

Naar Mount Yasur.
Eén verhaal heb je nog te goed : onze beleving van vuurspuwende berg Yasur op Tanna eiland. Door de commotie rond mijn bezoek aan België raakte dit bijna verloren in de plooien van de blog.

Vanuatu bezoeken, zonder minstens één vulkaan te zien, dat kan niet. Dan ben je op deze gevaarlijkste eilandengroep ter wereld quasi niet geweest.
Vanuit Fiji stuurden we dan ook, als eerste Vanuatu bestemming, op Tanna eiland aan, maar defecte batterijen beslisten er anders over.
Zo bevinden we ons, na meer dan vier maanden rondzwerven, terug in Port Vila, wachtend op de goeie wind, de perfecte golfhoogte om alsnog zuidelijk naar Tanna te zeilen.
Maar wat dacht je? Die perfecte omstandigheden, we kunnen er wel eeuwig op wachten .

Het vliegtuig richting White Grass airport (Tanna) biedt uitkomst, zo vertellen ons meerdere zeilers, die voor dezelfde oplossing kozen. In 35 min. ben je er vanuit Port Vila. Vooruit dan maar, de makkelijke oplossing.

Meteen dezelfde namiddag brengt Joshua ons met de 4x4 pick-up naar het vertrekpunt voor de korte klim naar Mount Yasur. Twee uur schommelen-hobbelen we over een weg met enorme gaten, een weg op bepaalde plekken diep uitgesleten door erosie, jungle aan beide zijden, uiterst vruchtbare veldjes met grote zoete aardappelen en yam, koffie zelfs, zwarte dorpjes op zwarte asgrond. Eindelijk bereiken we de impressionante asvlakte, een nu droge rivierbedding kronkelt erdoorheen. Gigantische “lavabommen” liggen verspreid over de vlakte. Braakte Yasur zijn gloeiende brokken steen tot hier?
Een hoge duin van as, nu zijn we bijna bij de ingang van het park.
Hier pakken we een bordje “Belgium” en sluiten aan bij de honderden die, zoals wij, ook de makkelijkst toegankelijke, actieve vulkaan ter wereld op willen.
Volgt een kastom ceremonie door de mensen van het dorp aan de voet van de heilige berg. De chief vindt het goed dat we de berg storen.

Eerste blik op Mount Yasur.

Asvlakte en asbergen.

Dansen voor de heilige berg.

Vuur spuwen.
We stappen netjes in de pick-up truck met “ons” nummer erop en komen een kwartiertje later bij de voet van de vulkaan. Flink afgekoeld zijn we al, het regende de hele rit en wij zaten achteraan in de open bak .
Gelukkig hebben we een trui aan, regenjas, klimschoenen. Ik ril als ik sommige meisjes zie in short, topje, teenslippers...wat een idee?
In een lange rij (doet me denken aan de film Everest ) stappen we naar boven. Steeds hoger tot bij punt 7. Punt 8 ligt in de rook en de mist, daar kan je nu niks zien.

Reeds tijdens het klimmen voel je de berg trillen en grommen. Plots een diep gerommel, een ontploffing, vuur en lava-gensters maar we zien vooral stoom, het is nog niet donker genoeg. Om de vijf minuten is er een uitbarsting die pas een half uur later in de pikkedonker een groots vuurwerk oplevert. Je hoort lava bommen neerkomen en rollen, ziet gloeiende, omhoog geworpen brokken langzaam uitdoven.
Yasur is van het Stromboli type , een droge vulkaan die geen lavastromen maar lava en stenen uitbraakt. We proberen foto's en filmpjes te maken. Moeilijk zonder statief.

We zijn niet alleen.

Vuurwerk, om de vijf minuten.

Intussen bevriezen we zowat terwijl ons gezicht warm opgloeit bij elke uitbarsting. Op de richel loeit een ijskoude wind, die iets lager al veel milder is, maar daar zie je dan weer niks.
Als na anderhalf uur het vertreksein klinkt, zijn we zowat onderkoeld.

Toch weer een item van de bucketlist geschrapt, of zeg ik : een onderdeel van het verlanglijstje . Een tick in the box, een dingetje aangevinkt.

Speciaal detail : in de vrachtwagen terug, zit er een Australische jongen naast me die volgende week aan een nieuwe job in Brussel of all places begint !?! De wereld is klein.

Port Resolution.
Op de berg ontmoetten we een zeilers-koppel dat in Port Resolution, dichtbij de vulkaan, voor anker ligt, of moet ik zeggen rolt. De baai, ontdekt door captain Cook (alweer) toen hij van ver op zee de vulkaan zag spuwen, kreeg de naam van zijn schip Resolution. Door de vulkanische activiteit kwam de bodem van deze baai intussen al een paar maal “omhoog “, het laatst nog in deze eeuw. Is nu met 3 m heel ondiep en bijna altijd erg rolly in de heersende zuid-oost passaat.

Nu we horen van de slapeloze nachten, het enerverende bestaan aan boord van hun boot, de douane beambten die hun verblijf nodeloos verlengen omdat ze niet bereikbaar zijn om uit te klaren, weten we : onze beslissing te vliegen was de juiste. 

Lenakel, hoofdstadje van Tanna.
De markten en marktjes die we in Vanuatu bezochten, kunnen we al niet meer tellen. Van heel druk, tot niks te beleven.
Lenakel is erg levendig, we kopen er lekkere mandarijntjes. Iedereen is er weer even “Vanuatu vriendelijk”. We lopen ook naar de “wharf” = kaai. Hier worden kokosnoten, yam, producten van Tanna in schepen voor Vila geladen. Eén wankel kraantje doet het werk. De vriendelijke werkers babbelen er vrolijk op los.
Op deze, de beruchte ergste ankerplek van Vanuatu liggen twee jachten, die blijkbaar niet weg kunnen want de customs zijn uitzonderlijk vandaag maandag, na het weekend, ook nog gesloten. Dikke pech.

Lenakel, beruchte slechte ankerplek.

Inladen van goederen voor Port Vila.

Op Tanna tref je mooie stranden aan, wit of zwart. Bij laag water zoeken mensen eetbaars op het rif. Iedereen is tot een praatje bereid. Vrouwen drogen de was, kinderen houden een heuse fietskoers.
Er zijn kastom dorpen die de oude tradities, dansen, het vuur maken in stand houden en doorgeven aan de volgende generatie.
Maar iets speciaal om te vermelden,  “nooit van gehoord” , is de zogenaamde cargo cult  “John Frum”, een religie die in een aantal dorpen op Tanna beleden wordt en vele aanhangers kent. In 1940 verscheen een zekere "John from America", op Tanna. Hij bracht heel wat, voor de locals, onbekende spullen mee. Later overspoelden de Amerikaanse troepen het eiland met jeeps, radio's, sigaretten. John beloofde terug te keren met meer van dat. Een nieuwe religie was geboren. Nog steeds wacht men op John Frum,  een nieuwe Messias. Men houdt erediensten, zingt voor hem en viert jaarlijks een speciale John Frum-dag.

Veel meer heeft Tanna te bieden, zoals de grootste banyan boom ter wereld, die een voetbalveld kan overspannen. Of dat werkelijk klopt, zullen we een andere keer komen uitzoeken, wij moeten nu terug naar Vila, naar Jakker.

 

Op het strand.

 Fietskoers.

 

Additional information