Slecht internet hier (bij Oyster Island), helaas geen foto's.

 

Lang geleden, in 1606 om precies te zijn, botste de Portugees de Queiros op, daar was hij van overtuigd, het toen door iedere ontdekkingsreiziger gezochte onbekende Zuidland. Hij noemde het dan ook “Terra Australis del Espiritu Santo.” Nu maakt Espiritu Santo, voor de Ni-Vanuatu kortweg Santo, deel uit van Vanuatu, is zelfs het grootste eiland.

Santo wordt onze volgende bestemming.
We bereiken dit eiland na een “wasmachine overtocht” van Bougainville Channel (genoemd naar de beroemde Franse ontdekkingsreiziger) tussen Santo en Malekula. In al dat geweld, we hebben echt moeite om ons overeind te houden, klinkt er een plots een klap en zwiert er opeens een lijn van voor naar achter, van links naar rechts over de hele boot. Hij slingert zich als een liaan rond een want (één van de staalkabels die de mast recht houdt). Slik. Ok, als hij zo blijft hangen. Welk touw is dat ??? O natuurlijk, de kraanlijn: het touw dat belet dat de giek (de boom waar het grootzeil aan vastzit) naar beneden valt als we niet zeilen.
Dat moeten we pas oplossen als we het zeil inrollen bij aankomst, lees : op rustiger water. Nu gaat Tony toch even naar voren om de lijn echt vast te knopen rond het want.

Rijdend op de hoge golven stuiven we doorheen de engte tussen twee eilandjes die de zuidelijke toegang tot de baai van Luganville vormen en meteen wordt het rustiger. Pf, dat hebben we weer overleefd.
Nog meer dan een uur duurt het vóór we aan de boei bij Aore Resort vastmaken.

Binnen hoor ik het water van de sterke stroming in Segond Channel murmelen alsof we nog steeds varen. Stroom en wind vechten op deze plek een eeuwigdurend gevecht om de sterkste uit. Waar Jakker normaal mooi met de neus in de wind ligt, neemt de stroom het hier af en toe over. Resultaat : de (te) lange mooring lijnen eerst slapjes in het water hangend, worden plots weer strak getrokken, naar beneden langsheen Jakkers romp... rond de kiel. Daar zitten ze muurvast en o nee, ze schuren lustig onze nieuwe anti-fouling eraf.

Dat kan Tony, die inmiddels met snorkel in het water ligt, me vertellen. Een kwartier lang maneuvreer ik, gecommandeerd door mijn captain die met zijn hoofd onder water aan het trapje aan de spiegel hangt (kont van de boot), vooruit , achteruit, opzij. Jakker blijft vast in de touwen tot een laatste dot gas, hard achteruit, haar bevrijdt.

Toch niet zo een ideale ankerplek, after all.

 

 

Reizen Waes.
Ben je een liefhebber van “Reizen Waes” dan herinner je je heel misschien zijn bezoek aan Vanuatu, meer bepaald aan Malekula eiland en zijn verhaal over de Smol en Big Nambas die hier leefden-leven. De twee stammen zijn genoemd naar de grootte van hun peniskokers, gemaakt uit pandanusblaren.
Wij zijn in “Smol Namba land” aanbeland.
Meer bepaald bij Wala en Rano eiland. Niet de meest ideale ankerplek, want onderhevig aan deining uit het zuid-oosten als de wind hard blaast. Lees : je gaat rollend en wel door
de dag, 's avonds slaap je best dwars in je bed. We varen tussen de twee eilanden door, maken mooi een bocht rond het rif van Wala eiland (zie je perfect op satelliet-navigatie programma Ovitalmap) en gaan dan aan de “achterkant” recht op het strand af. Het blijft erg diep tot bijna aan de kant. Een outrigger maakt zich los van het strand en Glenn gebaart : “Hier moet je anker vallen”. Ok, doen we dan maar.
Voor nu, bijna geen wind, lijkt het ons hier prima.



Smol Namba Kastom Dance.
Voor we het goed en wel beseffen, tuffen we in tien minuten met onze Jak én Robin, als begeleider, naar het vasteland. Rano Mainland, noemen ze dat. Daar wonen uitgeweken eilandbewoners, waarmee ze nog steeds een nauwe band hebben.
Wij zijn op weg naar de Smol Namba Dance. De dansgroep heeft er net een voorstelling voor Australiërs opzitten en wil het “aankleden” even uitstellen voor ons.
Bijna lijkt het erop dat we met Jak niet eens aan de kant zullen raken. Het is laag water en een groot plateau van scherp, puntig koraal ligt tussen ons en de weg. Daar kunnen de wieltjes van Jak ons niet helpen.
Maar geen nood, Robin roept een paar van zijn neven, die onder de bomen...niks doen?
Die dragen Jak zo naar het droge.



Daar wacht Véronique al op ons. Zij zal uitleggen wat er allemaal gebeurt. Maar eerst onderhandelen we met haar over de wel erg hoge prijs van 40 € per persoon. We gooien het op een akkoordje en worden verzocht statig een weggetje naar beneden te lopen waar men ons met een bloemetje verwelkomt. We mogen plaatsnemen en dan begint het dansen. De dansen horen allen bij de plechtigheid van het overdragen van de macht van de chief op zijn zoon. Het drummen op de “slid tamtams” is indrukwekkend. Ook erg veel lawaai maken de gedroogde nootschalen die als belletjes rond de enkels van de dansers bevestigd zijn. Drie jongetjes doen enthousiast mee. Jong geleerd.

Nog een laatste dans van vrouwen en mannen samen en dan traditioneel een public dance. Geen ontsnappen aan voor ons deze keer, we zijn de enige toeschouwers. Mee stampen op de grond dan maar.



Kannibalen.
Met Robin doen we de jungle cannibal tour op het eiland. Hij toont ons de grote heilige plekken waar bijeenkomsten gehouden werden, rituele slachtigen van varkens en mensen.... Ik kan zo de geesten in de reuze banyans (heilige bomen) vermoeden. Grote stenen (waar komen die vandaan?) bakenen het terrein af. Een aparte plek was er voor de chiefs. Met een tamtam maakte men tot mijlenver bekend wat zij beslist hadden : oorlog voeren, tegen welke stam. In het spookachtige bos heb ik geen moeite mij die bijeenkomsten bij een groot vuur voor te stellen.

We lopen terug via het dorp, krijgen in het voorbijgaan nog een aantal kilo's zware pompelmoezen mee, heerlijk zoet. Of hoe kannibalen in vriendelijke medemensen veranderden.
David wacht ons op. Yachties dat associëren zij met “technicus”. Of Tony eens naar zijn inverter (omvormer) wil kijken en eigenlijk naar zijn ganse “elektrische” installatie van in elkaar geknutselde, trieste kabels en lampjes.
Als Tony later met zijn multimeter aan de slag gaat in het pikdonkere hutje, ziet hij buiten nog een rij mannen met inverters in de handen staan. Hij meet alles uit. Hier moet een zekering vervangen, een ander toestel is helemaal kapot. Nu nog de batterij voor de verlichting van de kerk uitmeten en dan is het donker en tijd om naar Jakker terug te varen.
We beseffen weer een keer dat dit unieke ontmoetingen zijn om te koesteren. Onze eigen “cultural village tour”.

 

Het weer.
De SPCZ (South Pacific Convergence Zone) maakt het mooie of liever het slechte weer in de contreien waar wij zeilen. Al vijf jaar lang ondergaan we haar kuren. Het is een zone met troggen, lage wolken, onweer, regen en veel wind die ontstaat uit die andere zone op de evenaar, de ITCZ. “Te vermijden” zeggen de weermannen. Hoe, dat zeggen ze er niet bij? De zone ligt meestal van de Solomon Islands tot de Cooks Islands , zelfs tot Tahiti.

Schuift die zone over je heen, heb je slecht weer. Valt jouw positie er net buiten, is een strakblauwe hemel jouw deel.
Een hele uitleg om nog een keer te verklaren dat ook hier het weer plots omslaat en we vijf dagen slecht weer ondergaan.
Omdat nu ook nog eens de wind uit het westen gaat waaien, moeten we hals over kop weg uit “doejong baai”, want lage wal.

Maskelyne eilanden.
We vervolgen onze weg naar het noorden dan maar, naar de Maskelyne eilanden. 2,5 m hoge golven gooien ons een paar keer gemeen op onze zij. De pot met yoghurt in aanmaak rolt over de vloer. Iets anders van structuur, maar de yoghurt blijkt toch nog eetbaar, en belangrijker, nog bruikbaar om verder te “kweken”.

Veilig geraken we in Awei (Awai?) eiland slechts bewoond door één familie. Een vijftal zwarte Ni-Vanuatu vissers op outrigger bootjes in de baai, sommigen met zeil : nog maar eens een National Geographic plaatje. Safron komt zichzelf voorstellen. We kennen het zo goed : hij hangt wat aan onze boot, praat weinig, geeft ultra korte antwoorden, verzamelt dan moed en vraagt of wij wellicht wat vishaken en visdraad kunnen missen. Speciaal voor deze situaties ingekocht, ruilen we de vishaken voor aelan kabis (island cabbage -Vanuatu spinazie), pawpaw (papaya), bananen en groene kokosnoten.
We laden de batterijtjes van zijn zaklamp op en Tony herstelt een invertor. Nu kunnen ze dat laden in het vervolg weer zelf doen, via een zonnepaneeltje. Nog meer groenten en fruit worden bij Jakker afgeleverd. Tijdens een wandeling op hun eiland, krijgen we zelfs een mud krab cadeau. Lekker aperitiefhapje.



Meer slecht weer.
Zo gauw het mooier weer is, hoppen we verder langs de kust van Malekula. Maken in Port Sandwich een lange wandeling naar piepklein stadje Lamap. Onderweg stuiten we op een bijeenkomst, voor vooral vrouwen. Allemaal zitten ze op de grond. Ze luisteren naar een gezondheidswerker, die uitlegt hoe ongezond het is, samen te leven met dieren als varkens en koeien. Die dieren zouden binnen omheiningen moeten leven, niet naast en in de hutjes. Wormen worden van die dieren overgedragen op mensen. Plastisch als hij ziektes uitlegt, zorgt hij voor veel hilariteit. Zouden ze zijn raad ter harte nemen?

Ook hier ondergaan we weer een kleine storm waarvoor zelfs 2 grote bevoorradingsschepen komen schuilen. Die zorgen voor de nodige show vooraleer ze goed en wel afgemeerd liggen met een spinnenweb aan touwen.

Waterval.
Twee dagen later is er weer geen vuiltje meer aan de lucht en trekken we verder. Nadeel : geen wind, motoren dan maar. In Banam Baai, het is nochtans zondag, stuiven de bootjes weer op ons toe. Fruit en groenten ruilen voor vishaken, t-shirts en een vreemd verzoek : kunnen wij films kopiëren op de door hun meegebrachte memory stick?
“Liefst iets met schieten.” Oh boy, zoek maar eens een geschikte film voor deze erg conservatieve dorpen. De video wordt ook door kinderen bekeken, vermoeden we. We willen zeker niet gearresteerd worden voor het verspreiden van films van een, in hun ogen, kwalijk allooi.

Het eiland beschikt ook over een waterval en voor we het goed en wel beseffen zijn we met een hoop mannen op stap in de jungle. De chief aan wie we 1.000 Vatu (8 €) betaalden, voorop.
Hij verklaart : “Er loopt zoveel volk mee, om jullie witte huid te kunnen zien als jullie gaan zwemmen bij de waterval”.
Wauw, nooit gedacht, jonge mannen zijn bereid een eind te lopen om mijn 67 jaar oude lijf in bikini te zien !?! Lol dat ze hebben. En plots verschijnen een paar smartphones uit het niets. Want zo arm als ze zijn, een GSM bezitten is zoiets als in een dikke auto rijden thuis.

Biefstuk.
In de baai van Lakatoro – Norsup ligt de ankerplek ver van de stad. Toch gaan we er in de Jak op af. We zijn blij er een markt te vinden waar tomaten en paprika te koop zijn en een slager die mooie biefstuk aanbiedt. Lakatoro is het Engelse administratief centrum van Malekula en de provincie en Norsup is het Franse tweeling stadje. Dateert nog uit de tijd van het condominium van Engeland en Frankrijk die indertijd vredig samen de Nieuwe Hebriden bestuurden.
De rustige ankerplek, een marine reservaat, is wondermooi . Zagen we ooit zoveel schildpadden en ja, hier ook weer een doejong die even komt adem happen.

 

Op zondag 30 juni gooide zoonlief, Bert, zijn vrouw, Stefanie en de kinderen Lyam en Roxie de trossen los van de steiger bij de jachthaven van Tholen (Nederland). Ze trekken er voor twee jaar avontuur op uit met hun zeilboot Temanu'a.
De appel valt niet ver van de boom! We voelen ons trots en wensen hun “mooie winden en kalme, achteropkomende zee”.

Lees meer op www.temanua-zeilt.be .

De mooiste ontmoetingen daar ga je niet naar op zoek, die komen gewoon uit de lucht vallen als je ze het minst verwacht. Het toevallig niet bijhebben van je camera, wil nog wel eens een handje helpen. Die wetmatigheid kennen wij al lang.

Deze zondagochtend besluiten we even op het buitenrif in Lamen Bay te snorkelen. Daar aangekomen (verdorie, fototoestel vergeten), duiken we kopje onder vanaf onze Jak. Ik kijk opzij, dan voor me. Een grote schaduw, dat kan toch niet! Jawel hoor, ik knijp Tony hard in zijn arm. Hij heeft het ook gezien. Een levensgrote (2 m) doejong vlakbij ons. Grijs, groot, diepe krassen op zijn lichaam, stompe kop, kleine levendige oogjes, platte dolfijnstaart zwemt hij/zij elegant-langzaam voor ons door. Maakt rechtsomkeer en komt naar ons toe. Nieuwsgieriger kan haast niet. Nog een keer draaien en opnieuw richting die twee vreemde wezens. Oplettende oogjes onderzoekend op ons gericht. Dit moet wel Bondas zijn, de huis-doejong van Lamen Baai. Bedelt hij om eten?
Dit tafereeltje klopt helemaal : we kijken gewoon naar een kopie van de foto op Wikipedia, voorstellende een doejong met een drietal geel-zwart gestreepte visjes rond zijn, als hij eet niet zo elegante kop. https://nl.wikipedia.org/wiki/Doejong

Onze lokatie : Lamen Bay – Epi Island. Gisteren kwam Jakker, na een onstuimig dagje op zee, hier aan. Cruisers (en andere toeristen) hopen er de dugong(s), de Indische zeekoe, te spotten. Op even zovele blogs schrijven zeilers over hun ontgoocheling.

Ook wij gingen al een paar keer echt op zoek, vooral boven de groenige algen-zand bodem. We ontdekken enkel een aantal grazende schildpadden, ook prachtig, en de brede sporen van een woelende muil. Nu verrast hij ons hier bij het koraal.
Men wilde ons wijsmaken dat ze plomp zijn, dat enkel hun moeder hun mooi kan vinden omwille van die vierkante kop. We zijn niet akkoord.
Dan heb je ze beslist nog niet voorbij zien zwemmen. Elegant als een langzame dolfijn, een beluga misschien.
Begrijpelijk dat deze zeekoeien de fantasie van zeemannen op hol brachten, de zeemeermin was geboren.
Voilà, weer iets van onze bucketlist geschrapt. Het prachtige filmpje zit enkel in ons hoofd.
We moeten het zeker Joshua van Paradise Bungalows waar we gisteren een local diner genoten, gaan vertellen.

 

 

Als er één taal makkelijk aan te leren lijkt, moet het wel Bislama zijn. Eén van de drie officiële talen van Vanuatu. Het is een pidgin Engels, fonetisch geschreven bovendien. Woorden als “plis” (aub) , welkam (welcome) , tankyu tumas (thank you very much), ripablik (republic) en in bijna elke zin het “stop”woordje “blong” (van) of “long” (in).

Nem blong mi = Mijn naam is.
Dat blong (belong) , staat zelfs op de munten “van” Vanuatu.

Met Bislama kom je een heel eind. In de hoofdeilanden spreken de meeste mensen bovendien Engels en Frans, want dat wordt nog steeds onderwezen. Dit alles stamt uit de koloniale tijd toen Frankrijk en Engeland sámen de eilanden, de Nieuwe Hebriden, bestuurden. Soms was gewoon de ene kant van een eiland Frans en de andere Engels. Sinds 1980 is Vanuatu onafhankelijk.

Twee meisjes die ons de weg naar de Franse bakkerij toonden, sprongen vlot van uitstekend Frans naar Engels. Kunnen ze in ons landje nog wat van leren !

Van talen hebben ze hier inderdaad kaas gegeten : 110 verschillende talen worden er gesproken op de 80 bewoonde eilanden. Als de talendiversiteit in heel de wereld zo groot zou zij, zouden er nu 2,8 miljoen talen gesproken worden !

Hoe dat zo komt ? Spraken naburige stammen dan niet met elkaar?

Het veelbetekenende antwoord : “Stammen waren vijanden van elkaar. Zou jij makkelijk contact zoeken met je buurman kannibaal ? “.

 

 

 

 

 

Rond het eiland.
De ringweg rondom het eiland Efate, waarvan Port Vila de hoofdstad is, verleidt ons tot een rondrit met een huurauto. Met de kleine Suzuki Jimmy trotseren we de, af en toe flink gehavende, weg.

Dikke grijze wolken met heel wat regen dwingen ons de wandeling bij de watervallen en de botanische tuin van de Rentapao rivier af te breken. De “Tanna koffie”, geteeld op het naburige vulkaan eiland, en de babbel met de vriendelijke gastvrouw warmen ons snel op.

De Blue Lagoon, aan het strand een eind verderop, oogt inderdaad mooi azuur maar verwend als we zijn, willen we echt geen 15 euro per persoon spenderen om hierin rond te ploeteren.

Museum.
Overal waar een stopplaats is met wat schamele hutjes, start een “cultural tour” en verlangt men daarvoor minstens 1000 Vt (8 euro). Niet aan ons besteed. We bezochten het museum waar we mooie, langwerpige tam-tams, maskers en aardewerk van de Lapita cultuur bewonderden. Een demonstratie zandtekenen (tekenen zonder je vinger op te heffen), dé manier van overlevering van Vanuatu, dat geen schrift kende, maakt indruk op ons.

Strand en grotten.
De 120 km lange kustweg schiet goed op. Prachtig is het verlaten strand met de honderden pandanussen. De geur van de overrijpe vruchten onder de bomen katapulteren ons terug in de tijd naar Majuro waar men sap maakte van dit fruit.

Bij Siviri lokken de grotten ons toch weer uit de auto. Maar waar vind je die? De man in het dorp kent geen Engels. Geen nood zijn zoontje, Kenny, zal onze gids zijn. Meteen lopen een zestal kinderen met ons mee. Eerst 500 VT betalen, dan kunnen we binnen.
Een vriendje klopt met een palmblad op de zanderige bodem. Zo roept hij de zon op om binnen in de donkere grot te komen schijnen, legt Kenny met veel Bislama woorden uit.
Grappig. Wij weten dat ook zonder dit truukje onze ogen snel aan de duisternis wennen.
De grot loopt heel ver door maar zonder goeie toorts hoef je niet te denken aan verder verkennen.

Prettig was de kennismaking met het jonge grut wel.

Mele Baai laten we links liggen. Binnen een paar dagen zeilen we daarheen.

Mele Baai.
Mele Baai, vlakbij Port Vila, achter een rif en eilandje verwierf bekendheid door de Beach Bar waar wekelijks een Fire show en circusoptreden verzorgd wordt. Alles door jongens en meisjes van het dorp. Hun troep is uitgegroeid tot een professionele companie die elke dag optreedt, volledig zelfstandig is. Daar mogen ze best fier op zijn.

De strandbar zit vrijdagavond afgeladen vol voor het vuurspektakel. Eén van de beste die we ooit zagen.

Havannah Harbour.
Na een paar nachten schommelen en minder goed slapen, trekken we naar de volgende baai : Havannah Harbour.
De tocht rond Devil's Point is bepaald pittig, zoals rond kapen overal ter wereld. Daarna wordt het rustiger. We zien Hat island , het eiland waar de beroemde chief Roi Mata (sinds de 16de E) begraven ligt met 54 van zijn vrienden, familie en bedienden. Men zegt dat de meesten levend begraven zijn. Geknevelde skeletten zijn teruggevonden.
Vreemd detail : chief Roi Mata zorgde voor vrede tussen de stammen.

Wij laten het anker vallen bij Esema eiland. Hier liggen de veldjes van de bewoners van Moso aan de overkant. We wandelen er in de jungle over een smal paadje met miljoenen mieren, tussen de hoge bomen, bananen- en andere planten. Maken een praatje met de naar huis kerende tuiniers, die België kennen (altijd opnieuw moeten we dat horen) via het “soccer”. Vanuatu is een voetbal land. Niet te geloven : voetbal maakt van de wereld een dorp. En facebook, want dat kent Owen ook, zegt hij met een knipoog.

 

 

Terwijl we Port Vila verkennen, laten we Jakker veilig achter aan een mooring van Yachting World (het is hier 32 m en veel te diep om te ankeren). Tegenover ons, op het strandje van Iririki eiland, getuigen de vele wrakken van het verwoestend geweld van cyclone Pam (2015).

Port Vila is synoniem voor : prima “Franse” restaurants, een goed gevulde, Europees aandoende supermarkt Bon Marché met baguettes, croissants, kazen, saucis, paté, zelfs Côte d'Or chocolade en Délichoc koekjes ..maar, tegenvaller, alles quasi dubbel zo duur als Fiji. Zelfs op de kleurige lokale markt kent men de prijzen.

In de koloniale tijd deelden Frankrijk én Engeland de Nieuwe Hebriden, nieuwe naam sinds de onafhankelijkheid in 1980 : Vanuatu.
Vandaar die zwierige Franse invloed op het leven van alledag. Wij genieten er met volle teugen van. Onder meer met een koffie op het terras van Nambawan (Number One) the place to be op “den dijk” van Port Vila.

O ja, we kopen een SIM kaart en genoeg gigabytes om een zekere “online” tijd voort te kunnen. Hier zwaait Digicel de 4 (maar in de praktijk veelal ) 3 G plak. Want ontwikkelingsland misschien, maar aan GSM-antennes op de eilanden geen gebrek en de magie, die eens uitging van het bezit van het vuur, sprong naadloos over naar het bezit van de smartphone.

We zouden hier overal langs de kust online moeten kunnen, beloven de Digicel-verkopers ons.

Te vlug “gestoeft” ! Blijkt dat de 3G verbinding toch nog heel wat te wensen overlaat. Ik zal al dolblij zijn als ik een tekstje gepost krijg. Foto's, die zet ik er later wel eens bij.

Positie : Port Vila (Vanuatu) .

 

In opperste concentratie staat hij op het bovenste platform (25 m). Helpers hebben zorgvuldig de twee lianen om zijn enkels gebonden. Ze namen er hun tijd voor. Super belangrijk, natuurlijk.
De zesde keer reeds roept één van hen : “Wraf- wraf, wraf-wraf, wraf-wraf“. Voor ons, ondertussen weten we dat, het teken dat hij daarboven weldra zal springen. Het opzwepende zingen van de mannen en het fluitconcert van de vrouwen onderaan de toren klinkt luid op, brengt je in trance.

Eén vrouw loopt tot dichtbij de landingsplek. Zingt luidkeels, haar handen in een offerend gebaar. Steunt ze op deze manier haar man die op het punt staat te springen, van het hoogste platform nog wel ? Hij klapt in zijn handen, citeert onverstaanbare zinnen, spreidt zijn armen ten hemel (het wachten voor ons beneden duurt tergend lang, wij willen het ogenblik van de sprong vastleggen. ) Hij is er nog niet klaar voor.

Dan plots kruist hij zijn armen vóór zijn borst en valt-springt naar beneden. Aan 74 km per uur suist de bijna-naakte, zwarte man richting aarde. Met een klap knapt het platform af en breekt zo zijn val een beetje. Hij draait zich razendsnel om en landt op zijn rug en schouders in de mulle aarde op de helling onderaan de toren. Een man beneden helpt de “springer” recht , bevrijdt hem van zijn enkellianen. Wow.
Even een eerbiedige stilte, dan applaus van de 20-tal aanwezige toeristen die verspreid over de helling griezelend toekijken. Zo eindigt één van de meest spectaculaire, authentieke voorstellingen die we ooit zagen.
Het naghol (landddiving) in een dorp op Pentecost , een noordelijk eiland van Vanuatu.

 

 

We zagen zes mannen springen, hun mannelijkheid bewijzen. Iedere man vanop een hoger platform.
De toren, de mensen, het gezang het baadt in een wel heel speciale sfeer.

We kwamen, in onze truck, tegelijk met heel wat dorpelingen-toeschouwers, aan bij de helling waar de toren is opgetrokken. Vijf weken lang werkten 30 mannen aan dit bouwwerk van hout en lianen. Het moet een menselijk lichaam voorstellen, is meer dan 20 m hoog, met een zestal “verdiepingen”.
Op de helling zijn stokken geplaatst en “trappen” uitgegraven om ons bleekneuzen makkelijk te laten plaatsnemen en ons dichter bij het gebeuren te laten toekijken.

Moet je die donkere toren zien. Als bij een zoekplaatje ontwaar je pas na een tijdje de zwarte gestalten die tussen de stammen en lianen naar boven bewegen. Mannen die de lianen gaan binden, mannen met een machete om de platforms los te hakken en de mannen die zullen springen.
Eén jongetje, 9 of 10 jaar, staat klaar op het 10 m hoge “laagste” schavotje, aarzelt minutenlang, de aanmoedigende kreten kunnen zijn angst niet wegschreeuwen, hij draait zich om, men maakt de lianen los. Geen probleem. De gemeenschap verplicht niemand om te duiken. Zijn intrede in de wereld van de mannen zal voor later zijn.

 

Een andere jongen neemt zijn plaats in. Daarna volgen meer ervaren mannen. Hoe ouder en groter de ervaring , hoe hoger je springt.
Het monotone gezang en de dans van mannen en vrouwen, het gefluit van de vrouwen geeft alles een magische sfeer.

 

 

De naghol is een eeuwenoude traditie.   https://en.wikipedia.org/wiki/Land_diving Evenwel door de missionarissen in de 19de eeuw verboden en pas weer opgepikt midden 20ste eeuw.

Traditie, maar die nu voorleeft dank zij de toeristen (die slechts mondjesmaat worden toegelaten) wiens geld een belangrijke bron van inkomsten is voor het dorp.

Pikant detail : het is hier dat de nieuwzeelander, A.G. Hackett, de mosterd voor het bungeejumpen haalde. Hij vergoedde hen daar niet voor, zeer tot ontevredenheid van de inboorlingen.

 

Terwijl de deelnemers t-shirt en bermuda of rok weer snel aantrekken ( nee, in peniskoker en naakt bovenlijf lopen ze al lang niet meer rond in het dagelijks leven) stappen wij in de jeep, die ons naar de Britten Norman Islander brengt . Klein vliegtuig (9 personen) dat in een uur terugvliegt naar Port Vila, maar niet zonder een hallucinante rondvlucht over de caldera met twee vulkanen van het eiland Ambryn.

Zo aanschouwen we meteen één van de redenen waarom Vanutatu het gevaarlijkste land ter wereld is.

 

 

 

 

 

 

 

 

Additional information