Positie : Port Stanley, Malekula.

Foto's op de blog plaatsen, bij mijn tekstjes, is een nachtmerrie. Het duurt erg lang en vreet behoorlijk wat megabytes .
Foto's in een map plaatsen gaat veel makkelijker.

Daarom deze “Santo in foto's” map.
En omdat elke upload voor 1000 Vatu (8 €) bovenop de 2 Gig aan data, 500 MB gratis oplevert, zit ik hier nu met slaapogen om 5 u aan de laptop (stikgek !?!). Immers, addertje onder het gras, die 500 MB gratis : enkel te gebruiken tussen 0 en 6 uur 's nachts.

Hopelijk neemt er ook iemand de moeite om die foto's te bekijken.

Positie : Port Sandwich.

Deze foto hoort nog bij het vorige tekstje over kinderen met machetes.

En dan vaar je, na zo lang tanden bijten en “wachten” op één plek, voor je het goed en wel beseft, de baai uit richting zee. Een vriendelijk windje en dito zee verwelkomt je. Kan het niet altijd zo zijn?

Gisteren nog wat boodschappen gedaan in Luganville.

Taxichauffeur George, die ons terugbrengt, loopt zelfs mee tot bij onze Jak. Hij kent ons leven. Was zelf zeeman op Koreaanse vissersboten. Geboren is hij op het eiland Ambae, waar de eruptie van de vulkaan een jaar geleden opnieuw duizenden inwoners naar buureilanden Santo en Maewo verdreef. Hij probeert op Santo nog geld te verdienen, terwijl zijn vrouw en kinderen alweer terugkeerden naar hun huisje op Ambae. Ze moet wel, de vulkaan zorgt er voor enorme groenten en knollen. George gebaart met zijn armen alsof hij een enorme voetbal omklemt. Zo groot zijn de zoete aardappelen er en de spinazie blaren, gigantisch.

Ik kom met 5kg bloem extra terug op Jakker. Blij, want slecht meel heeft ervoor gezorgd dat we heel klef brood moesten eten. Dat probleem zal nu wel van de baan zijn.
Maar een ander dient zich aan : gedoe met de gasoven. Er is amper nog een vlammetje.
Tony, mijne man die alles kan, haalt alles uit elkaar. Blaast de gasleiding uit, klopt het roest uit de brander. Enfin, na een uurtje brandt het vuur weer lustig.

In Port Stanley op Malekula aangekomen, ankeren we op een bekend plekje. Toch lijken de koraalblokken (bommies) erg dichtbij. Dat inspecteren we even en ontdekken zo een wel bijzonder mooie koraaltuin compleet met schildpad, rustig liggend op de bodem. Een trevally zwemt met flinke snelheid recht naar mijn gezicht. Schrikken ! (Een vervelende gewoonte van deze vissen, lees ik achteraf). Een enorme zeebaars schrikt dan weer van ons.
De drop-off blijkt ook de moeite. Hier doen we een duik. Hopelijk regent het één van de volgende dagen. Duiken betekent extra waterverbruik om alle spullen af te spoelen.


Dan is er nog een klus. Onder water dit keer. Zink anode vervangen.
Omdat er zich onder water, rond de boot zwakke elektrische stromen voordoen, worden metalen aangevreten. Wij plaatsen zinkanodes dichtbij de bronzen schroef opdat die zich, geheel volgens de tabel van Mendeljev, zouden opofferen voor de dure schroef.
De anode, bijna weggegeten, moet dringend vervangen. Perfect om dit hier te doen, met behulp van de duikuitrusting.

Best moeilijk, al die schroefjes en de twee delen van de anode onder water plaatsen. Als je wat laat vallen, ben je het onherroepelijk kwijt.

En dan vragen jullie zich af : “Wat doen ze toch maar de ganse dag op zo een boot? “

Ankerplek Port Sandwich.

Wandelen ! Nog één van onze geliefkoosde, maar vooral ook noodzakelijke bezigheden. Op onze huidige ankerplek, Port Sandwich stappen we 40 minuten (warm, warm) naar het piepkleine stadje, Lamap, voor brood. Om ons gas (zelf brood bakken) wat te sparen.
De markt stelt niks voor. Gelukkig brengt Madeleine (met haar pikinini) fruit en groenten aan boord.


Nog even langs de kleuterklas van Lamap, de dril van elke ochtend tanden poetsen is net achter de rug, vóór we de terugweg aanvatten.

Halfweg wacht Amendine ons al op. Elke dag heeft ze een verrassing voor ons : pompelmoezen, verse kokosnoten. Ik bedank haar met een doosje theezakjes.
O ja, ze bevestigt wat we al lazen : “Neem “plis” geen verkoelende duik in het water rond jullie boot. In het verleden waren hier zeker vijf shark attacks, omdat men koeien slachtte bij de baai. “

Zouden die haaien er nog steeds zitten ? We zien toch niks !

Veel nieuws valt er van het Jakkerfront niet te melden. We leven ons bootleventje en wachten af ! En meer ga ik daar niet over vertellen.
Goed beschut, gelukkig, in de baai van Palikulo. Onder donkere, dreigende luchten. Af en toe sterke windvlagen met regen. Af en toe een stukje blauw.
Buiten : 3,5 m hoge golven, wind : 25 knopen en meer. Een goed zeeman gaat daar niet tegenin.
Pluspunt van deze baai : in de jungle van het schiereiland lokken prachtige paadjes een vastzittende zeiler om uit zijn kot te komen. Voeg daar een reeks “bunker” ruïnes en oud ijzer van generatoren, rails, gebinten en tanks aan toe en mijn kapitein is altijd tot een wandeling te verleiden.



Ik doe inspiratie op voor een tekstje. De ontmoeting met een vader en zijn drie kinderen (pikinini) zet me aan je wat te vertellen over de machete, hier “bus naef” (bush knife) of “bigfala naef”. Het jongetje (5 j. of zo) zwaait met zo een kapmes bijna even groot als hijzelf. Heel gewoontjes op de eilanden in de Caraïben en Pacific.

Mannen (en vrouwen evenzeer) hebben, in Vanuatu zelfs in de stad, zo een werktuig bij. Een werktuig, ja, en niet, zoals wij dat zien, een wapen.
Als een Zwitsers zakmes voor de Ni-Vanuatu. Alles kan je ermee doen. Je maakt er de weg mee vrij in het bos, graaft er zoete aardappels en yam mee op, je opent een kokosnoot. Een Ni-Vanuatu gaat nooit op pad zonder zijn bus naef. Hij zou zich naakt voelen.

En dus hebben kleine kinderen er ook al eentje, om te oefenen. Want denk maar niet dat je even een tak weghakt. Best moeilijk. Er komt techniek bij kijken. De exacte kap-hoek is 45° en op ¾ vanaf de top van het blad moet je je doel raken.
Of er ongevallen mee gebeuren? Dat komen we niet aan de weet. Een verlegen lachje en de opgetrokken wenkbrauwen van overal in de Pacific is hun antwoord.


Ze graven er ook de kavawortel mee op en zo kom ik naadloos bij het volgende : de kava-bar. Waar men gaat langs Vanuatu wegen , overal komt men kavabars tegen. Kleine, open hutjes met banken en een toog.
Nee, het gaat hier niet om de sprankelende champagne look-alike. Kava (het bruine, peperachtige “afwaswater”) is heel andere koek.
Je hebt nodig : kavawortel, iets om te pletten, een doek en water.
De geplette kavawortel wordt in water geweekt (vroeger gekauwd en uitgespuwd), geroerd en gefilterd door een doek. Drinken maar.

Ze gaan er prat op, hier is de kava veel straffer dan in Fiji want men droogt de wortel niet vooraf. Pas op, drink niet meer dan twee kopjes. Het is een sterke drug : eerst wordt je mond verdoofd, daarna weigeren je benen dienst vervolgens je armen.
Kava is een mannen ding. Vrouwen zijn niet welkom in de bars die rond 17 u openen. Ni-Vanuatu zweren erbij. Je praat makkelijker, wordt er rustig van. Een leuke manier om de dag af te sluiten.
Wij verkiezen een nationaal Tusker biertje.

 

 

 

 

Weinig foto's bij de tekstjes,  dan maar wat meer in een map.  Vanuatu 2.

Boodschappen.

Toch moeten we dichter naar de stad om boodschappen en jerrycans water en mazout makkelijk aan boord te krijgen. We verkassen naar de overkant, bij het Beachfront Resort. Hier kan je een busje nemen naar Luganville, een paar kilometer verderop.
Die ankerplek is goedkoop en af en toe vormt er zich een dorp van jachten, maar ze heeft ook de kwalijke reputatie erg onrustig te zijn vooral bij harde wind. Daar denken we even niet aan.

In ontzettend slecht weer, met veel regen, gaan we op zoek naar nieuwe “huis”batterijen. Ja, uiteindelijk blijken de onze dan toch op sterven na dood. Te vaak geladen en ontladen ?!
Vier keer hossen we, grote plassen ontwijkend, de buiten proporties brede, door het Amerikaanse leger aangelegde, hoofdstraat op en neer. Veel hoop batterijen te kunnen scoren, hebben we niet, moet ik toegeven.

Tot, bij Agricultural Supplies, stel je onze verbazing voor, de perfecte “solar batteries” met de exacte afmetingen, zomaar opgestapeld staan. Drie stuks? No problem. Bij het Beachfront leveren. Makkie.
Op onze tocht met een diepliggende Jak, volgeladen met batterijen, van strand naar Jakker, krijgen we zelfs niet al te veel water over.
Al dat hijsen van die loodzware dingen, in het bootje, uit het bootje, we zien het dan maar als fitnesstraining.

Luganville
is geboren uit het brein van Amerikaanse oorlogsplanners tijdens WOII. Na de aanval op Pearl Harbor bouwden Seabees hier op 20 dagen een airstrip. Later volgden er nog 4 voor bombers en fighters. Onderkomens voor 25000 soldaten in honderden quonset huts (hangaars), twee havens, 4 hospitalen, 40 cinema zalen rezen uit de grond, kortom een enorme basis van waaruit Guadalcanal en Japanse doelen in de Pacific werden aangevallen. Het Segond Channel tussen Aora Island en Luganville bood beschutting aan wel 100 grote schepen.
We proberen ons de garnizoensstad met al de bedrijvigheid voor te stellen.
Vooral de betonwegen hebben het overleefd en een aantal Quonset huts.
We bezoeken het piepkleine museum. Een groots museumproject staat op stapel. www.southpacificwwiimuseum.com


En dan heb je natuurlijk Milllion Dollar Point.

Toen de Condominium regering na de oorlog niet geïnteresseerd bleek het Amerikaanse materiaal te kopen met de idee : ze zullen dat wel voor niks achterlaten, was dit zonder de Amerikanen gerekend, die prompt alles in zee flikkerden. Million Dollar Point.

Gewoon al snorkelend, of wandelend op het rif bij laag water, kan je nu, ruim 70 jaar later, tientallen motoren, trucks, tanks met rupskettingen, kanonnen, heftrucks herkennen. Sommige delen zijn helemaal in het koraal ingebed. Een echt zoekplaatje.
Hallucinant zijn het aantal cola-, bier-, apotheker-, parfumflesjes.

Het pronkstuk van Luganville, de President Coolidge, een tot troepentransportschip omgebouwd passagiersschip dat zonk nadat het op een eigen mijn liep, willen we ook graag zien. Maar zelfs hier heb je het fenomeen van de tientallen duikers die in de rij staan om dit schip van hun bucketlist te kunnen strepen. Pas volgende week zou er een plaatsje zijn voor ons. Ze bekijken het maar, wij blijven hier niet liggen.

Blue Hole.

We verlaten Segond Channel en doen een paar prachtige ankerplekken aan in het zuid-oosten van Santo. In Palikulo, Surunda en Peterson Bay schommelen we veel minder.

We varen met Jak de prachtige Matevulu rivier op. Grillig gevormde bomen, als heksen uit een Disney film, bewaken het water. Nooit gezien : velden waterkers drijven her en der, sieren de oever. En dan verrast het blue hole ons toch nog. Kristalhelder, fris water nodigt uit tot een duik.
We wandelen wat in de omgeving. Je kan aan de vegetatie zien waar een brede landingsbaan voor goed verborgen ligt.

Achter onze boot, op het rif, moet het wrak van een Corsair gevechtsvliegtuig liggen. Als we na wat zoeken een vleugel, een blad van de prop met stermotor en een stuk romp onder zand en koraal ontdekken, voelen we ons echte schattenzoekers.

Een zeilershart is snel blij gemaakt.

Eindelijk is het gelukt. Een eerste reeks foto's van ons bezoek aan Vanuatu staan online.

Slecht internet hier (bij Oyster Island), helaas geen foto's.

 

Lang geleden, in 1606 om precies te zijn, botste de Portugees de Queiros op, daar was hij van overtuigd, het toen door iedere ontdekkingsreiziger gezochte onbekende Zuidland. Hij noemde het dan ook “Terra Australis del Espiritu Santo.” Nu maakt Espiritu Santo, voor de Ni-Vanuatu kortweg Santo, deel uit van Vanuatu, is zelfs het grootste eiland.

Santo wordt onze volgende bestemming.
We bereiken dit eiland na een “wasmachine overtocht” van Bougainville Channel (genoemd naar de beroemde Franse ontdekkingsreiziger) tussen Santo en Malekula. In al dat geweld, we hebben echt moeite om ons overeind te houden, klinkt er een plots een klap en zwiert er opeens een lijn van voor naar achter, van links naar rechts over de hele boot. Hij slingert zich als een liaan rond een want (één van de staalkabels die de mast recht houdt). Slik. Ok, als hij zo blijft hangen. Welk touw is dat ??? O natuurlijk, de kraanlijn: het touw dat belet dat de giek (de boom waar het grootzeil aan vastzit) naar beneden valt als we niet zeilen.
Dat moeten we pas oplossen als we het zeil inrollen bij aankomst, lees : op rustiger water. Nu gaat Tony toch even naar voren om de lijn echt vast te knopen rond het want.

Rijdend op de hoge golven stuiven we doorheen de engte tussen twee eilandjes die de zuidelijke toegang tot de baai van Luganville vormen en meteen wordt het rustiger. Pf, dat hebben we weer overleefd.
Nog meer dan een uur duurt het vóór we aan de boei bij Aore Resort vastmaken.

Binnen hoor ik het water van de sterke stroming in Segond Channel murmelen alsof we nog steeds varen. Stroom en wind vechten op deze plek een eeuwigdurend gevecht om de sterkste uit. Waar Jakker normaal mooi met de neus in de wind ligt, neemt de stroom het hier af en toe over. Resultaat : de (te) lange mooring lijnen eerst slapjes in het water hangend, worden plots weer strak getrokken, naar beneden langsheen Jakkers romp... rond de kiel. Daar zitten ze muurvast en o nee, ze schuren lustig onze nieuwe anti-fouling eraf.

Dat kan Tony, die inmiddels met snorkel in het water ligt, me vertellen. Een kwartier lang maneuvreer ik, gecommandeerd door mijn captain die met zijn hoofd onder water aan het trapje aan de spiegel hangt (kont van de boot), vooruit , achteruit, opzij. Jakker blijft vast in de touwen tot een laatste dot gas, hard achteruit, haar bevrijdt.

Toch niet zo een ideale ankerplek, after all.

 

 

Reizen Waes.
Ben je een liefhebber van “Reizen Waes” dan herinner je je heel misschien zijn bezoek aan Vanuatu, meer bepaald aan Malekula eiland en zijn verhaal over de Smol en Big Nambas die hier leefden-leven. De twee stammen zijn genoemd naar de grootte van hun peniskokers, gemaakt uit pandanusblaren.
Wij zijn in “Smol Namba land” aanbeland.
Meer bepaald bij Wala en Rano eiland. Niet de meest ideale ankerplek, want onderhevig aan deining uit het zuid-oosten als de wind hard blaast. Lees : je gaat rollend en wel door
de dag, 's avonds slaap je best dwars in je bed. We varen tussen de twee eilanden door, maken mooi een bocht rond het rif van Wala eiland (zie je perfect op satelliet-navigatie programma Ovitalmap) en gaan dan aan de “achterkant” recht op het strand af. Het blijft erg diep tot bijna aan de kant. Een outrigger maakt zich los van het strand en Glenn gebaart : “Hier moet je anker vallen”. Ok, doen we dan maar.
Voor nu, bijna geen wind, lijkt het ons hier prima.



Smol Namba Kastom Dance.
Voor we het goed en wel beseffen, tuffen we in tien minuten met onze Jak én Robin, als begeleider, naar het vasteland. Rano Mainland, noemen ze dat. Daar wonen uitgeweken eilandbewoners, waarmee ze nog steeds een nauwe band hebben.
Wij zijn op weg naar de Smol Namba Dance. De dansgroep heeft er net een voorstelling voor Australiërs opzitten en wil het “aankleden” even uitstellen voor ons.
Bijna lijkt het erop dat we met Jak niet eens aan de kant zullen raken. Het is laag water en een groot plateau van scherp, puntig koraal ligt tussen ons en de weg. Daar kunnen de wieltjes van Jak ons niet helpen.
Maar geen nood, Robin roept een paar van zijn neven, die onder de bomen...niks doen?
Die dragen Jak zo naar het droge.



Daar wacht Véronique al op ons. Zij zal uitleggen wat er allemaal gebeurt. Maar eerst onderhandelen we met haar over de wel erg hoge prijs van 40 € per persoon. We gooien het op een akkoordje en worden verzocht statig een weggetje naar beneden te lopen waar men ons met een bloemetje verwelkomt. We mogen plaatsnemen en dan begint het dansen. De dansen horen allen bij de plechtigheid van het overdragen van de macht van de chief op zijn zoon. Het drummen op de “slid tamtams” is indrukwekkend. Ook erg veel lawaai maken de gedroogde nootschalen die als belletjes rond de enkels van de dansers bevestigd zijn. Drie jongetjes doen enthousiast mee. Jong geleerd.

Nog een laatste dans van vrouwen en mannen samen en dan traditioneel een public dance. Geen ontsnappen aan voor ons deze keer, we zijn de enige toeschouwers. Mee stampen op de grond dan maar.



Kannibalen.
Met Robin doen we de jungle cannibal tour op het eiland. Hij toont ons de grote heilige plekken waar bijeenkomsten gehouden werden, rituele slachtigen van varkens en mensen.... Ik kan zo de geesten in de reuze banyans (heilige bomen) vermoeden. Grote stenen (waar komen die vandaan?) bakenen het terrein af. Een aparte plek was er voor de chiefs. Met een tamtam maakte men tot mijlenver bekend wat zij beslist hadden : oorlog voeren, tegen welke stam. In het spookachtige bos heb ik geen moeite mij die bijeenkomsten bij een groot vuur voor te stellen.

We lopen terug via het dorp, krijgen in het voorbijgaan nog een aantal kilo's zware pompelmoezen mee, heerlijk zoet. Of hoe kannibalen in vriendelijke medemensen veranderden.
David wacht ons op. Yachties dat associëren zij met “technicus”. Of Tony eens naar zijn inverter (omvormer) wil kijken en eigenlijk naar zijn ganse “elektrische” installatie van in elkaar geknutselde, trieste kabels en lampjes.
Als Tony later met zijn multimeter aan de slag gaat in het pikdonkere hutje, ziet hij buiten nog een rij mannen met inverters in de handen staan. Hij meet alles uit. Hier moet een zekering vervangen, een ander toestel is helemaal kapot. Nu nog de batterij voor de verlichting van de kerk uitmeten en dan is het donker en tijd om naar Jakker terug te varen.
We beseffen weer een keer dat dit unieke ontmoetingen zijn om te koesteren. Onze eigen “cultural village tour”.

 

Het weer.
De SPCZ (South Pacific Convergence Zone) maakt het mooie of liever het slechte weer in de contreien waar wij zeilen. Al vijf jaar lang ondergaan we haar kuren. Het is een zone met troggen, lage wolken, onweer, regen en veel wind die ontstaat uit die andere zone op de evenaar, de ITCZ. “Te vermijden” zeggen de weermannen. Hoe, dat zeggen ze er niet bij? De zone ligt meestal van de Solomon Islands tot de Cooks Islands , zelfs tot Tahiti.

Schuift die zone over je heen, heb je slecht weer. Valt jouw positie er net buiten, is een strakblauwe hemel jouw deel.
Een hele uitleg om nog een keer te verklaren dat ook hier het weer plots omslaat en we vijf dagen slecht weer ondergaan.
Omdat nu ook nog eens de wind uit het westen gaat waaien, moeten we hals over kop weg uit “doejong baai”, want lage wal.

Maskelyne eilanden.
We vervolgen onze weg naar het noorden dan maar, naar de Maskelyne eilanden. 2,5 m hoge golven gooien ons een paar keer gemeen op onze zij. De pot met yoghurt in aanmaak rolt over de vloer. Iets anders van structuur, maar de yoghurt blijkt toch nog eetbaar, en belangrijker, nog bruikbaar om verder te “kweken”.

Veilig geraken we in Awei (Awai?) eiland slechts bewoond door één familie. Een vijftal zwarte Ni-Vanuatu vissers op outrigger bootjes in de baai, sommigen met zeil : nog maar eens een National Geographic plaatje. Safron komt zichzelf voorstellen. We kennen het zo goed : hij hangt wat aan onze boot, praat weinig, geeft ultra korte antwoorden, verzamelt dan moed en vraagt of wij wellicht wat vishaken en visdraad kunnen missen. Speciaal voor deze situaties ingekocht, ruilen we de vishaken voor aelan kabis (island cabbage -Vanuatu spinazie), pawpaw (papaya), bananen en groene kokosnoten.
We laden de batterijtjes van zijn zaklamp op en Tony herstelt een invertor. Nu kunnen ze dat laden in het vervolg weer zelf doen, via een zonnepaneeltje. Nog meer groenten en fruit worden bij Jakker afgeleverd. Tijdens een wandeling op hun eiland, krijgen we zelfs een mud krab cadeau. Lekker aperitiefhapje.



Meer slecht weer.
Zo gauw het mooier weer is, hoppen we verder langs de kust van Malekula. Maken in Port Sandwich een lange wandeling naar piepklein stadje Lamap. Onderweg stuiten we op een bijeenkomst, voor vooral vrouwen. Allemaal zitten ze op de grond. Ze luisteren naar een gezondheidswerker, die uitlegt hoe ongezond het is, samen te leven met dieren als varkens en koeien. Die dieren zouden binnen omheiningen moeten leven, niet naast en in de hutjes. Wormen worden van die dieren overgedragen op mensen. Plastisch als hij ziektes uitlegt, zorgt hij voor veel hilariteit. Zouden ze zijn raad ter harte nemen?

Ook hier ondergaan we weer een kleine storm waarvoor zelfs 2 grote bevoorradingsschepen komen schuilen. Die zorgen voor de nodige show vooraleer ze goed en wel afgemeerd liggen met een spinnenweb aan touwen.

Waterval.
Twee dagen later is er weer geen vuiltje meer aan de lucht en trekken we verder. Nadeel : geen wind, motoren dan maar. In Banam Baai, het is nochtans zondag, stuiven de bootjes weer op ons toe. Fruit en groenten ruilen voor vishaken, t-shirts en een vreemd verzoek : kunnen wij films kopiëren op de door hun meegebrachte memory stick?
“Liefst iets met schieten.” Oh boy, zoek maar eens een geschikte film voor deze erg conservatieve dorpen. De video wordt ook door kinderen bekeken, vermoeden we. We willen zeker niet gearresteerd worden voor het verspreiden van films van een, in hun ogen, kwalijk allooi.

Het eiland beschikt ook over een waterval en voor we het goed en wel beseffen zijn we met een hoop mannen op stap in de jungle. De chief aan wie we 1.000 Vatu (8 €) betaalden, voorop.
Hij verklaart : “Er loopt zoveel volk mee, om jullie witte huid te kunnen zien als jullie gaan zwemmen bij de waterval”.
Wauw, nooit gedacht, jonge mannen zijn bereid een eind te lopen om mijn 67 jaar oude lijf in bikini te zien !?! Lol dat ze hebben. En plots verschijnen een paar smartphones uit het niets. Want zo arm als ze zijn, een GSM bezitten is zoiets als in een dikke auto rijden thuis.

Biefstuk.
In de baai van Lakatoro – Norsup ligt de ankerplek ver van de stad. Toch gaan we er in de Jak op af. We zijn blij er een markt te vinden waar tomaten en paprika te koop zijn en een slager die mooie biefstuk aanbiedt. Lakatoro is het Engelse administratief centrum van Malekula en de provincie en Norsup is het Franse tweeling stadje. Dateert nog uit de tijd van het condominium van Engeland en Frankrijk die indertijd vredig samen de Nieuwe Hebriden bestuurden.
De rustige ankerplek, een marine reservaat, is wondermooi . Zagen we ooit zoveel schildpadden en ja, hier ook weer een doejong die even komt adem happen.

 

Additional information